Inleiding
Nederland telde in 2005 368 gerechtsdeurwaarders en 414 toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders, tezamen 782. Blijkens de website van het ministerie van Justitie zijn dat er nu ongeveer 900; een gestage voortzetting van de groei die sinds 1997 is gerapporteerd. De taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder zijn verankerd in de Gerechtsdeurwaarderswet van 2001. De Gerechtsdeurwaarderswet is bedoeld zorg te dragen voor een goede en onafhankelijke ambtsvervulling door gerechtsdeurwaarders. Bij instelling van de wet is, door opneming van artikel 85 in deze wet, bepaalt dat de minister vijf jaar na inwerkingtreding van de wet en vervolgens iedere vier jaar een verslag zou maken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze wet. In 2007 is de commissie “Evaluatie Gerechtsdeurwaarderswet” ingesteld ter naleving van dit artikel. Het instellingsbesluit van 2007 refereert daarbij tevens aan het WODC onderzoek “Trendrapportage Gerechtsdeurwaarders 2006” een tweejaarlijks onderzoek (de nieuwe trendrapportage komt er ongetwijfeld spoedig aan (?)) naar de ontwikkelingen in de praktijk van de beroepsuitoefening van gerechtsdeurwaarders.
Oordeel en advies
Doelstelling van de commissie is oordeel en advies te geven over de Gerechtsdeurwaarderswet en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). Op 16 maart jongstleden heeft de Commissie Winkel (naar haar voorzitter mr. A.R. Van Winkel en geen onbekende in WSNP-land, evenmin overigens als mr. P.J.M. Van den Biggelaar en mr. H.D.L.M. Schruer, beiden eveneens intensief betrokken bij de opstart en evaluatie van de WSNP) haar eindrapport van de evaluatie van de Gerechtsdeurwaarderswet genaamd “Noblesse Oblige” aangeboden aan staatssecretaris Albayrak van Justitie. Aanpak van de evaluatie was door middel van een vijftiental interviews met partijen uit het veld geïnformeerd te raken over opzet en uitwerking van deze wet en voorstellen te doen ter verbetering van de kwaliteit. De commissie komt uiteindelijk met 39 aanbevelingen ten aanzien van de KBvG en van de (Gerechtsdeurwaarders-)wet. In verfrissende, soms “onparlementair” heldere, bewoordingen komt de commissie, zoveel is toch wel duidelijk, tot een bevestiging van de in de eerder gemelde trendrapportage waargenomen toenemende druk op goede onafhankelijke ambtsvervulling.
Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG)
Van de 37 aanbevelingen betreffen 25 aanbevelingen de KBvG waarmee de commissie, wellicht onvermoed, de noblesse in de titel van haar rapport numeriek duidt als de KBvG zèlf in plaats van de individuele gerechtsdeurwaarder. Niettemin springt toch ook vooral hoofdstuk 14 in het oog als, in praktische zin, zorgwekkende problematiek in de uitvoeringspraktijk van gerechtsdeurwaarders. De wirwar van bedrijfsmatige werkzaamheden van schijnbaar één kantoor is bij tijd en wijle een niet te ontwarren knoop van intentionele onduidelijkheid: “Spreek ik met de deurwaarder of spreek ik met een incasso-bureau?” Googelen van het woord “gerechtsdeurwaarder incasso” toont een schier oneindige lijst van gerechtsdeurwaarders die tevens het woord incasso in hun bedrijfs-missie voeren zonder dat duidelijk is of het wel of niet uit hun taakstelling voortvloeiende incasso is. De praktijk van alledag van schuldhulpverleners bevestigt dat overigens ook. Waar het bij de reguliere incasso-bureaus zo is dat overgang van incasso-traject naar deurwaarderstraject expliciet plaatsvindt (al was het maar vanwege het feit dat aanschrijving door een andere rechtspersoon plaatsvindt), bij de incasso-bureau/gerechtsdeurwaarder is de overgang bijna naadloos (en daarmee onduidelijk) en is de opvoering van kosten dat idem dito. Vermeld dient te worden dat ten aanzien van bovenstaande de indruk bestaat dat onder de deurwaarders sprake is van een tweedeling van rekkelijken en preciezen.
Uitwassen?
De commissie maakt in haar verslag geen melding van de praktijk van het opkopen en/of doorverkopen van vorderingen aan gerechtsdeurwaarders of aan haar gelieerde rechtspersonen. De praktijk is vanuit de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders niettemin een bekende problematiek waarbij een en ander destijds aan de oppervlakte kwam door de iets te openbare, en door de betrokkene achteraf, om de verkeerde redenen, ongetwijfeld betreurde, externe communicatie. De verstrengeling van de publieke taak en het persoonlijk belang van de eigenaar van de vordering zijn in dergelijke situaties duidelijk in het gedrang. De opvatting van de commissie Winkel over deze gedragingen is overigens wel te raden! De door haar aangeroerde instelling van een register van nevenfuncties, waar de KBvG op dit moment aan werkt, zal ongetwijfeld nauwkeurig gevolgd worden door de Commissie(-leden). Een recentelijk persbericht van het KBvG maakt overigens duidelijk dat fundamentelere redenen die ten grondslag liggen aan bovenvermelde problematiek ook de KBvG niet zijn ontgaan.
Tot slot
De titel van het rapport is duidelijk een opdracht aan het KBvG over wat haar te doen staat richting haar achterban. Het KBvG is in 2001 met de Gerechtsdeurwaarderswet in de adelstand verheven (zelfs leidend tot het voorstel van deze commissie tot het dragen van toga bij buitengewone zittingen!) en dat leidt tot verwachtingen. Immers, “Noblesse oblige”.