Rechtspraak, kansrekening en WSNP Afdrukken E-mail
woensdag 31 maart 2010

Overwegingen bij het toekennen van een schone lei


Bestaat er verschil tussen het financieel verantwoord gedrag van hoger opgeleiden en dat van lager opgeleiden? Zou een bestaand verschil tot een andere waardering of weging van de toelatingscriteria voor de WSNP moeten leiden? Of tot een andere waardering van het (kunnen) toekennen van een schone lei? Kan een rechter bij gegeven identieke gedragingen de toerekenbaarheid van tekortkomingen bij verschillende achtergronden gelijkelijk toerekenen? Dat zijn vragen die interessant zijn om te stellen binnen de WSNP maar te complex om objectiveerbaar eenvoudig te beantwoorden. Toch is er recentelijk binnen de rechtspraak een onderzoek gepubliceerd dat wel een hulpmiddel biedt bij het beantwoorden van deze vragen.

Inleiding
In geval van (straf-)rechtspraak gaat de rechter er (idealiter) vanuit dat iemand onschuldig is totdat het tegendeel wordt bewezen. Statistisch gesproken is deze “onschuld” fictief. Immers, nog steeds statistisch gesproken, is er in ieder geval, vermits het menselijk handelen betreft, een kans van 1 op n (n=groepsgrootte gemeenschap) dat de persoon die wordt aangesproken op de handeling (de overtreding, de misdaad, de tekortkoming) deze ook daadwerkelijk heeft verricht. Sterker, het feit dat juist dié persoon ter toetsing voorligt veronderstelt zelfs een gerede aanleiding tot veronderstelling van een grotere betrokkenheid dan slechts de statistische trefkans.
Op welke wijze werkt die relatie, namelijk de relatie tussen de gedraging en de toetsing door de rechter, uit naar het uiteindelijke oordeel? In relatie tot bovenstaande vragen is in december 2009 door “Rechtstreeks” een onderzoek gepubliceerd met de veelzeggende titel “Kansrekening en strafrechtspraak: fouten bij beslissen onder onzekerheid” (1) welk onderzoek ook is gepubliceerd op rechtspraak.nl.
De vraag die in het onderzoek aan de orde komt, en die ook binnen de WSNP van belang kan zijn, is: “Gegeven een a priori kans op schuld, hoe verandert deze a priori kans op schuld gegeven bewijs A?. En, bij verder aanvullende gedraging(en), hoe verandert dan de kans op schuld verder?”.

De achtergrond
Binnen de statistiek bestaan verschillende benaderingen van kans. Enerzijds de klassieke benadering van de zogeheten frequentisten en anderzijds de voorwaardelijke benadering van kans van de Bayesianen. Het belangrijkste verschil kenmerkt zich daarin dat klassieke frequentisten kans zien als frequentie van bepaalde gebeurtenissen terwijl bayesianen kans zien als de subjectieve mate van geloof in een bepaalde gebeurtenis. Bij deze subjectieve graad van geloof kunnen diverse factoren meegewogen worden. In diverse leerboeken en op internet is een heldere uitleg van de bayesiaanse statistiek te verkrijgen. (zie 2, 3 en 4).
De formule die zij daarbij gebruiken is:

Bayes formule


In gewoon Nederlands betekent dat de kans op gebeurtenis A onder de voorwaarde B= De kans op gebeurtenis B onder de voorwaarde B maal de kans op gebeurtenis A gedeeld door de kans op B.
Het onderstaande simpele voorbeeld geeft een indruk van de methodiek:

Stel een school met 40 meisjes en 60 jongens. De helft van de meisjes draagt een broek; de andere helft draagt een rok. De jongens dragen altijd een broek. Vraag: Als ik iemand met een broek zie lopen hoe groot is dan de kans dat dit een meisje is?


 Meisje Jongen Totaal 
Broek 2060 80 
Rok20 20 
Totaal40  60 100
Voorbeeld ontleend aan: wikipedia (class B WikiProject Mathematics)

Voor beantwoording van die vraag zouden de frequentisten een x-aantal keren een experiment herhalen en, als de steekproeven aselect en groot genoeg in aantal zijn, uiteindelijk concluderen dat gemiddeld 1:4 personen die zij spotten een meisje is dat een broek draagt.
Gegeven dat 0,5 de kans is dat een meisje een broek draagt (P(B|A), dat 0,4 de kans is op een meisje binnen de totale groep (P(A) en 0,8 is de totale kans op het treffen van een persoon die een broek draagt (P(B)), dan zouden de Bayesianen de formule toepassen van figuur 1 en berekenen dat de kans (0,5 X 0,4) / 0,8 = 0,25 =  1:4 is.

Uitwerking rekenvoorbeeld


De zwakte bij het gebruik van de formule van Bayes is vaak dat de kans op een bepaalde gebeurtenis niet altijd (of niet altijd precies; vandaar het gebruik van het woord subjectief in de omschrijving van Bayesiaanse statistiek) bekend is.
De publicatie van Rechtstreeks verstrekt een aantal heldere praktijkgevallen voor het gebruik (of niet-gebruik) van statistiek in de rechtspraak (zie bijvoorbeeld box 3). Daarnaast vullen zij de voorbeelden aan met een aantal referenties over beslisoverwegingen bij rechters (zie bijvoorbeeld Guthrie et al, Inside the Judicial Mind) die ook in de praktijk van alledag relevant zijn om te weten zoals anchoring, framing-effects (risico-mijdend en risico-zoekend beslisgedrag), invloed van vooroordelen (hindsight-bias) en stereotypering (“representativeness heuristic”).
Belangrijk is te realiseren dat bij toepassing van de bayesiaanse vorm van statistiek binnen de rechtspraak niet alleen weging van bélastend bewijs is vereist maar ook weging van óntlastend bewijs.

De onderzoeksconclusies
Voor de praktijk belangwekkende conclusie uit het onderzoek is dat in moeilijke zaken beslissingen niet nauwkeurig zijn, zelfs indien de deelnemers aan het onderzoek een consistent beslispatroon volgen. Dan nog vertonen zij de neiging om de bewijskracht te onderschatten waardoor zij minder mensen veroordelen dan dat objectief zou zijn vast te stellen. Van de groep die niet op consistente wijze beslist bepalen de deelnemers voor zichzelf eerst een subjectieve kans en beslissen op basis daarvan. Uit het onderzoek kwam tevens naar voren dat de deelnemers aan het experiment veel te weinig gebruik maken van de mogelijkheid verder onderzoek te laten verrichten waardoor het aantal foute beslissingen toenam. Anderzijds nam bij het doen van tevéél onderzoek, als gevolg van te grote voorzichtigheid, het aantal fouten eveneens toe.
Hoewel de onderzoekers voor zichzelf een zekere reserve inbouwen ten aanzien van hun conclusies (zie blz. 12 & blz. 42&43: paragraaf 7.2) zijn de resultaten toch praktisch van belang en wel in die mate dat zij concluderen dat kennis van beslissen onder onderzekerheid voor rechters noodzakelijk is.

Wat heeft bovenstaand onderzoek van doen met de WSNP?
Bovenstaande conclusies gelden, mutatis mutandis,  mogelijkerwijs ook binnen de WSNP. Op dezelfde wijze als de strafrechter velt de “WSNP”-rechter namelijk ook zijn of haar oordeel op basis van de beoordeling én weging van feiten en omstandigheden, waarbij ook binnen de WSNP teveel onderzoek op enig moment tot een onnauwkeuriger vonnis en/of beslissing zou kunnen leiden. In niet mindere mate is echter ook de bewindvoerder WSNP onderworpen aan dit systeem. Immers, de meeste van de zaken die op zitting verschijnen zijn al onderhevig geweest aan een selectie op basis van beslissingen die een bewindvoerder voorafgaand heeft genomen.
Uiteindelijk geldt voor elk van de actoren in het beslisproces WSNP, wat de toekenning schone lei uiteindelijk tóch is, de overweging (of zou dat kunnen zijn): “Gegeven de kans op een tekortkoming, hoe verandert de mate van toerekenbaarheid nú ten opzichte van de mate van toerekenbaarheid die bij aanvang aanwezig was (en verondersteld is gelijk te zijn bij iedereen)?”. Voortgaand op het voorbeeld uit het begin van het artikel zou datzelfde rekenvoorbeeld voor de WSNP als volgt kúnnen gelden:

 Weigering Schone LeiSchone Lei Totaal 
Geen toerekenbare tekortkoming1 Meer? Minder?8788
Toerekenbare tekortkoming9Meer? Minder? 12
Totaal 1090 100 
Voorbeeld ontleend aan: wikipedia (zie boven)


De vraag in het voorbeeld zou zijn: Gegeven het feit dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming, hoe groot is de kans dat er sprake is van een schone lei? Met deze vraag komen wij inmiddels in de mogelijk praktische toepassing van deze methodiek. Daarbij is het een gegeven dat feiten en/of omstandigheden die leiden tot weigering van een schone lei, vanwege de grotere consequentie voor een saniet, op een andere manier gewogen worden dan feiten en/of omstandigheden die toekenning van een schone lei ondersteunen! Iemand onterecht een schone lei weigeren is van een andere zwaarte dan iemand onterecht een schone lei verstrekken.
Discussie
Als gevolg van diverse omstandigheden kunnen mensen in financiële problemen komen. Deze omstandigheden kunnen economisch van aard zijn (financiële crisis, verlies van werk) , sociaal van aard (zoals opleiding, achtergrond, gezinsstructuur, cultuur, echtscheiding) of medisch/psychisch  (arbeidsongeschiktheid, psychische problematiek, verslaving, ziekte). Bij ieder van die factoren is de mate van invloed die individuele personen op die factoren kunnen uitoefenen meer of minder aanwezig. De toerekenbaarheid voor wat betreft de nakoming, of niet-nakoming, van bepaalde verplichtingen hangt met die factoren ook navenant samen. Het is te verdedigen dat het niet-nakomen van de informatieplicht door een dyslectisch persoon in de bijstand anders is te waarderen dan het niet-nakomen van de informatieverplichting door iemand met werk en toegang tot internet, kopieerapparaat en postkamer van zijn werkgever. Alleen, dan moet bij de beoordeling van de toerekenbaarheid de weging van de diverse gebeurtenissen wel expliciet(er) meegenomen worden. Het behoeft geen betoog dat dit zeer complex is. Weging van deze factoren vindt plaats op verschillende wijzen. Deze kunnen meer of minder intuïtief zijn. Als gevolg daarvan, zo blijkt uit dit onderzoek, worden ook op verschillende wijzen beslissingen genomen die vervolgens, bij identieke dossiers tot andere beslissingen leiden. Ook het al dan niet doorvragen weegt mee in de uitkomst van een beslissing en hoeft bij verder doorvragen niet altijd tot een beter resultaat te leiden. Het matigen van doorvragen maakt de kwaliteit van rechtspraak niet automatisch slechter, hoe paradoxaal dat ook moge klinken!
Conclusie
Rechters zijn mensen en daardoor onderworpen aan dezelfde menselijke wetten als “gewone” stervelingen. Dat maakt reflectie op deze menselijke wetten een noodzakelijkheid. Het onderzoek van Rechtstreeks geeft daar mede een aanzet toe. Toepassing daarvan in de WSNP is nog (mijlen) ver weg van de praktijk maar wel interessant genoeg om over na te denken. De conclusies uit het onderzoek maken duidelijk dat rechters op verschillende manieren omgaan met aangedragen feiten en omstandigheden en daardoor ook anders beslissen. Deelnemers met een consistent beslispatroon komen sneller tot onderschatting van de bewijskrachten en zijn daardoor, zo zou zich enigszins provocerend kunnen laten vertalen, milder in hun oordeel; gegeven de aard van de WSNP is dat niet per se slecht. Voor de bewindvoerder WSNP zou dit kunnen betekenen dat het aanleveren van gegevens in een verslag meer staccato zou moeten plaatsvinden omdat deze de rechter daarmee beter bedient van die consistente manier van beslissen. De conclusie van de onderzoekers dat té ver doorvragen tot meer fouten leidt maakt (onbedoeld) een knipoog naar bijvoorbeeld de wel erg ver doorgeschoten informatievereisten die door RECOFA gesteld worden aan vervolg- en eindverslagen. De (subjectieve) kans is aanwezig dat dit tot meer foute beslissingen leidt!

1. Kansrekening en strafrechtspraak: fouten bij beslissen onder onzekerheid. Rechtstreeks 2009(4).
2. 50 Mathematics ideas you really need to know (“50 Inzichten Wiskunde; Onmisbare basiskennis”); Tony Crilly; Quercus Publishing Plc (2008). In Nederland uitgegeven door Koninklijke Wöhrmann, Zutphen.; ISBN 9789085712046
3. Theorema van Bayes; wikipedia
4. Help! Statistiek; Uitleg Bayes Statistiek, vakgroep Epidemiologie UMCG (download-area statistiek presentaties)


I.P. Van Rossen
Over de auteur:

Directeur van Modus Vivendi Wettelijk Traject B.V.

Sinds 1995 actief binnen schuldhulpverlening in minnelijk en wettelijk traject.

 
Advertisement
Template creation and website implementation by One-Company Interactieve Communicatie, Industrieweg 18, 4051 BW Ochten, Nederland. Telefoon: 0344-641040