Het verschil tussen ‘kunnen’ en ‘willen’ “Elk voordeel heb z’n nadeel” zou Cruijff zeggen. Of het “logisch” is moet nog blijken.…. Negen jaar na de invoering van de derde titel van de Faillissementswet is er een zekere mogelijkheid van een uitweg gekomen ten aanzien van schuldenaren waarbij onvoldoende saneringsgezindheid is gebleken. De ‘escape’ welke met ingang van 1 januari 2008 is vastgelegd in artikel 350 derde lid sub g Faillissementswet, zal wennen zijn voor crediteuren die vanaf nu de afwikkeling van het faillissement niet meer hoeven af te wachten. Vóór de wetswijziging was artikel 350 Faillissementswet zodanig ingericht dat schuldenaren bij onvoldoende nakoming hun verplichtingen, na voordracht van de rechter-commissaris of bewindvoerder, krachtens het derde lid onder c, d en e van het artikel werden ‘gesanctioneerd’ middels toelating tot het (persoonlijk) faillissement. Het strenge regime van de wettelijke schuldsaneringsregeling, waaraan de onwillige schuldenaren zich dienden te onderwerpen, werd tot dan toe gevolgd door een nog strenger regime met nog meer beperkingen. De wetswijziging, welke heeft geleid tot herinrichting van artikel 350 Faillissementswet is meer mogelijkheden gaan bieden voor de schuldenaar, de schuldeiser en de bewindvoerder. Echter, de ‘voordelen’ voor onwillige schuldenaren zijn van korte duur nu de ‘beschermende omstandigheden’ van een faillissement voor hen zijn komen te vervallen. Schuldenaren ervaren hierdoor weliswaar niet meer de ‘hete adem’ van de Rechtbank en haar aangestelde ‘rechterhand,’ maar vallen op versnelde wijze ten prooi aan schuldeisers die (wegens het wegvallen van een conservatoire fase) direct verhaal kunnen gaan halen. Feitelijk is dit een nevengevolg van het doel dat de Wetgever voor ogen had, strekkende het voorkomen van een danige frustratie van de gang van zaken tijdens de regeling en een zwaar beroep op de bewindvoerder en de rechter-commissaris (zie blz. 34 en 35 MvT), hetgeen in het voordeel uitwerkt voor laatstgenoemden. Lezing van het bedoelde wetsartikel leert dat deze toch anders wordt verwoord dan feitelijk in de praktijk gebracht. Hierin wordt gesteld dat de schuldenaar aannemelijk moet maken niet in staat te zijn aan de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen. In de praktijk gaat het hier om schuldenaren die wel aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kunnen voldoen, maar niet (meer) willen. Deze zogenaamde spijtoptantenregeling wordt inmiddels succesvol gehanteerd door alle Rechtbanken. Binnen het minnelijk traject (dat vooraf gaat aan de wettelijke schuldsanering of faillissement) zal daarom meer nadruk moeten komen te liggen op de gevolgen van een verzoek om toegelaten te worden tot een wettelijke schuldsaneringsregeling. Schuldenaren zouden op deze wijze nog eerder een inschatting voor zichzelf kunnen maken of onderwerping aan een wettelijk regime iets voor hen is. In het ergste geval zou een schuldenaar er ‘berekenend’ in kunnen gaan zitten en de wettelijke schuldsaneringsregeling een poos kunnen ‘aankijken’ (waarbij schuldeisers tijdelijk niets kunnen doen). De andere kant is dat schuldenaren die echt niet willen, vroeg of laat aan de beurt zijn.
|