NVVK Convenanten Afdrukken E-mail
zaterdag 21 augustus 2010

Voordat de WSNP werd geïntroduceerd bestond binnen de schuldhulpverlening het probleem dat crediteuren te állen tijde voor wat betreft hun hele vordering verhaal konden halen op het hele vermogen van de schuldenaar, zelfs als dit zou betekenen dat de schuldenaar dan zijn hele leven bezig zou zijn met het afbetalen van de schulden. Sommige overheidsinstanties, bijvoorbeeld de belastingdienst, waren hiertoe, zeer strikt omschreven uitzonderingen daargelaten, ook wettelijk verplicht! Dat kon zover gaan dat als de ene instantie wel wilde meewerken aan een regeling, de volgende instantie die regeling kon doorkruisen op dusdanige wijze dat het hele traject mislukte. Dit werd in het decennium vóór de WSNP, en ook daarna, als (zeer) ongewenst gezien. Aangezien, als gezegd, er nog geen WSNP-wetgeving was die, als stok achter de deur, de crediteuren kon dwingen toch mee te werken werd, op de wijze waarin Nederland sterk is, door middel van convenanten geprobeerd de crediteuren ertoe te bewegen toch mee te werken. De NVVK, als overkoepelende branche-organisatie, heeft hierbij het voortouw genomen. Basisgedachte en uitgangspunt hierbij was dat de crediteuren vrijwillig zouden afzien van, hen rechtens toekomende, middelen om tot verhaal van hun vordering te komen. Het instrument dat daarbij destijds was gekozen was het instrument van het convenant. De doelstelling van het instrument was een “integrale” oplossing te realiseren van de schuldenproblematiek.


Integrale schuldhulpverlening bestaat in twee betekenissen:

  • Afstemming van de schuldenproblematiek, en de aanpak daarvan, tussen alle crediteuren zodat zij niet elkaar tegenwerkende maatregelen zullen nemen (geparafraseerd van Boorsma, 1992)
  • “Samenhangend hulpaanbod van preventie tot en met zorg voor uitvallers met als doel zowel financiële problemen als de oorzaken hiervan op te lossen op basis van een eenduidige doelstelling en een eenduidige methodiek” (“Integrale Schuldhulpverlening; handreiking voor gemeenten en uitvoerende instanties”; Landelijk Platform Integrale SchuldhulpVerlening (LPISHV), 2004)
In de loop der jaren heeft de NVVK, of haar individuele leden, diverse belangrijke convenanten afgesloten. De partijen waarmee de convenanten zijn afgesloten leveren vrijwel allemaal diensten op het vlak van huur, energie en zorgverzekering. Deze convenanten zijn meestal in inhoud en uitvoering niet publiekelijk toegankelijk anders dan voor NVVK-leden (in verband met de kennelijk specifieke uitvoeringsvereisten die deze convenanten kenmerken). Daarbij zijn de crediteur-partijen waarmee de convenanten zijn afgesloten benaderd die zich in hun algemeenheid kenmerken door het overwegend topografisch dekkend karakter van hun diensten, met andere woorden: ze komen voor in bijna ieder dossier van de zich bij de schuldhulpverlenende instantie meldende schuldenaar. Daarmee bereikt de NVVK een zo breed mogelijk effect voor de convenanten die bij zoveel mogelijk schuldenaren hun positieve uitwerking hebben. Voor de lokale convenanten betrof dit meestentijds convenanten met woningbouwcorporaties eventueel aangevuld met flankerende organisaties zoals GGD's e.d.
Door ervaringen opgedaan in het tot standbrengen van convenanten heeft de NVVK ook ná introductie van de WSNP, diverse grote landelijke convenanten tot stand gebracht. Deze crediteur-partijen kenmerken zich vrijwel allemaal door het feit dat zij diensten leveren op het vlak van energie, water en zorgverzekering. Het maken van uitvoeringsafspraken met juist deze partijen creëert de  randvoorwaarden om tot een succesvolle opstart en uitvoering van het minnelijk traject te kunnen komen.
Doelstelling van deze convenanten was meestal het totstand kunnen brengen van schuldregelingen en het duurzaam terugdringen van het aantal klanten met problematische schulden. Hierbij kon op basis van specifieke executieverplichtingen, zoals voor het CJIB geldt, wel een volledige voldoenings-doelstelling opgenomen zijn.
De partijen waarmee de NVVK in de loop der tijd deze grote convenanten heeft afgesloten zijn:
Nederlandse Thuiswinkel Organisatie (juli 2006)
RWE (augustus 2008) (vindplaats jaarverslag 2008, blz. 22) (Op de website van RWE is op het trefwoord nvvk of convenant geen referte te vinden)
Evides (april 2010)
Essent (juli 2006)
NUON (juli 2006)
UPC (juli 2006)

CJIB (augustus 2007)
Vitens (december 2007)

Zorgverzekeraars Nederland (januari 2010)

In zijn algemeenheid dragen deze convenanten zorg voor een zo soepel mogelijke opstart en uitvoering van een minnelijk schuldhulpverleningstraject doordat situaties die voorheen de opstart nogal eens bemoeilijkten, zoals een huisuitzetting, een energie-afsluiting of de dreiging van gijzeling of loonbeslag, nu op voorhand geregeld zijn.
Het ontwikkelend belang van convenanten
Convenanten moeten begrepen en toegepast worden in de context waarin zij zijn opgesteld. Dit kan zowel de praktische context als de juridische context betreffen. Een convenant vóór de introductie van de WSNP, waarbij een crediteur, binnen de kaders van het recht, niet gehouden is zich in zijn executiemaatregelen te beperken, heeft een andere praktische uitwerking dan hetzelfde convenant ná de WSNP, waar de schuldenaar via een beroep op de WSNP de executiemaatregelen (vrijwel) kan beperken tot enkel nog de indiening van de vordering bij de bewindvoerder. Ook convenanten ná introductie van de WSNP dienden een duidelijk praktisch en uitvoerend doel. Ná de WSNP ondersteunden de convenanten het door deze wet beoogde stok achter de deur-effect door het minnelijk traject in haar uitvoering te faciliteren voor crediteuren. Dat toen reeds de convenanten in feite een sigaar uit eigen doos waren, immers er bestond een mogelijkheid van een beroep op de WSNP in geval van een zich echt onredelijk gedragende crediteur, is in retrospect makkelijker vast te stellen dan mogelijk was ten tijde van het opstellen van het convenant. Niettemin hebben de convenanten wel degelijk hun waarde bewezen. De meeste waarde kon, en kan, daarbij toegeschreven worden aan het convenant met het CJIB in 2007. Het was destijds moeilijk te begrijpen dat voor een dergelijke regeling, die direct raakt aan de executie-bevoegdheden en mogelijkheden van de overheid, een aanmelding bij een NVVK-partij voor de schuldenaar als voorwaarde geldt voor het kunnen doen van een beroep op deze (coulantere) executie. Het betekent dat de executie van een zelfde vordering bij de ene burger anders plaatsvindt dan bij de andere burger. Gelukkig heeft de rechter daar inmiddels nuance in aangebracht (LJN BF1287, bevestigd in hoger beroep LJN BJ5465)
Op gelijke wijze heeft een convenant voor de wetswijziging van de WSNP  van 1 januari 2008 een andere lading, en zelfs noodzaak, dan ná 1 januari 2008. Het is duidelijk dat wanneer zaken die in een convenant zijn afgesproken die inmiddels de facto ook geregeld zijn in de portaal-artikelen van de WSNP (art. 287 lid 4, art. 287a en art. 287b) dat de noodzaak voor het opstellen van uitvoerend complexe convenanten aan waarde beginnen in te boeten. Wellicht is het moment gekomen om tot een inventarisatie te komen van de noodzaak van het verder gaan met realiseren van convenanten en, even belangrijk, te inventariseren of de huidig bestaande convenanten feitelijk niet hun noodzaak van naleving en continuering hebben verloren. De indruk bestaat dat de huidige convenanten, met uitzondering wellicht van het CJIB-convenant, onnodig beslag leggen  bij zowel schuldhulpverlener als convenant-partij op de dagelijkse praktijk van schuldenregelen. Het is daarbij natuurlijk ironisch dat juist het CJIB-convenant het convenant is dat juist ook algemene werking zou moeten hebben (en de rechter denkt daar, bij toetsing van de uitvoering, kennelijk net zo over). Daarnaast is een beroep op de portaal-artikelen in de praktijk eenvoudig gebleken (zie toelichting wsnp verzoeken en het bijbehorende formulier)


 
Advertisement
Template creation and website implementation by One-Company Interactieve Communicatie, Industrieweg 18, 4051 BW Ochten, Nederland. Telefoon: 0344-641040