Tegen de achtergrond van de actuele kredietcrisis gaf de dagvoorzitter dr. I.P. van Rossen op ludieke wijze de aftrap voor de studiemiddag die door Modus Vivendi en Schruer Advocaten werd verzorgd voor hulpverleners die op 20 november 2008 werd gehouden op de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Steeds meer worden hulpverleners, direct of indirect, geconfronteerd met klanten in een problematische financiële situatie en schulden. Naarmate de samenleving almaar juridischer wordt, bestaat er een groeiende behoefte bij professionals om grondig geïnformeerd te worden over het praktische en juridische verloop van een schuldenregeling, schuldsanering (WSNP) of budgetbeheer. Ook bestaat er een toenemende vraag naar informatie over de wijze van adviseren en begeleiden, en de gevolgen daarvan voor de klant en zijn of haar begeleider. Rondom het thema dat feitelijk luidde: “Help! Mijn klant heeft schulden,” maakten enkele prominenten uit het werkveld van de schuldhulpverlening hun opwachting. De politiek Tweede Kamerlid mevrouw P.J.M.G. Blanksma-van den Heuvel, die namens het CDA de honneurs waarnam, beet de spits af. Blanksma pleitte onder meer voor meer begeleiding, ondersteuning, preventieonderwijs en nazorg ten behoeve van de 175.000 gezinnen in Nederland met problematische schulden. Dit zou bij hen successievelijk moeten leiden tot meer financiële zelfstandigheid en zouden zij op den duur beter opgewassen zijn tegen onverwachte financiële situaties. Het was haar niet ontgaan dat de sterk uiteenlopende werkwijzen waarop de huidige schuldhulpverlening wordt toegepast, inefficiënt en onoverzichtelijk zijn. Dit heeft vervolgens geleid tot wachtlijsten, onvoldoende zicht op de doorlooptijd en wisselende kwaliteit van deze specifieke hulpverlening bij gemeentes. Gedurende het aankomende politiek debat zal volgens Blanksma meer de nadruk komen te liggen op de vraag wat de uitgangspunten van schuldhulpverlening zijn en waaraan zij dient te voldoen. Pas wanneer hier eenduidigheid over is en hierin structuur is aangebracht, zal een integrale benadering van schuldhulpverlening succesvol (kunnen) zijn. Pas dan kan de ‘schoenendoes’ met administratie eindelijk efficiënt en doeltreffend met de klant worden gesorteerd. Blanksma eindigde haar pleidooi met een ferme tik op de vingers van de financiers. Immers, een goede integrale aanpak van schuldhulpverlening begint pas op het moment dat financiers eindelijk de verantwoordelijkheid nemen voor de toenemende schuldproblematiek. Volgens Blanksma temeer reden om gedragscodes voor financiers in het debat te brengen waarin onder meer afspraken rondom integriteit, verantwoordelijkheid en marketing (leenreclames) moeten worden gemaakt. Maatschappelijk werk De heer mr. J.P.M. Karstel van Stichting Pameijer haakte vervolgens gretig in op de eerder genoemde integrale benadering van schuldhulpverlening. Vanuit de sociaal-economische richting verwees hij naar ‘Handbook on Quality of Life for Human Service Practitioners (Schalock/Alonso)’ waarin de kwaliteit van leven wordt ingedeeld in acht verschillende, doch onlosmakelijk verbonden domeinen. Karstel stelt dat de nadruk in de huidige hulpverlening teveel is komen te liggen op ‘materieel welbevinden, ’ terwijl de andere domeinen onderbelicht blijven. “We zijn het geheel kwijt! We behandelen slechts stukjes ervan!”. Een juiste integrale kijk op de situatie ontstaat pas zodra de domeinen in samenhang worden gezien. Op dat moment kunnen ketenafspraken gemaakt worden en komt de nadruk te liggen op kwaliteit in plaats van kwantiteit. Kortom; we moeten met elkaar de verantwoordelijkheid nemen door goed na te gaan hoe de huidige hulpverlening organisatorisch in elkaar steekt en of onze kennis en expertise voldoende is toegerust op de actuele financiële hulpvraag van de klant. De gemeenten Na de politiek en het maatschappelijk werk aan het woord te hebben gehad lijkt ‘integrale benadering’ het nieuwe toverwoord te zijn. Mevrouw dr. N. Jungmann, die in opdracht van SZW onderzoek heeft gedaan naar de effectiviteit van gemeentelijke schuldhulpverlening, benadrukt de sterke behoefte aan een integrale benadering. Dit zou volgens Jungmann onder meer moeten leiden tot een situatie waarin idealiter de behoefte aan schuldhulpverlening beperkt is, schuldhulpverlening voor iedereen toegankelijk is, er geen wachtlijsten zijn, naar duurzame oplossingen voor zowel crediteuren als schuldenaren wordt gegaan en langdurige of intensieve ondersteuning beschikbaar is. Jungmann spreekt van een ‘wettelijke zorgplicht,’ welke primair bij gemeenten moet komen te liggen. Naast Blanksma en Karstel is ook Jungmann sterk voorstander van het onderhouden van meer persoonlijk contact met de klant (of diens begeleider) om doeltreffende schuldhulpverlening te kunnen bieden en de omgeving van de klant beter in kaart te kunnen brengen. Het laatstgenoemde is eveneens van essentieel belang bij het verzoek om onderbewindstelling van klanten. De rechtbank Om dit te illustreren werd de studiemiddag opgesierd door een voorbeeld uit de praktijk middels een tweetal rollenspelen waarin ‘de toeleiding onderbewindstelling’ centraal stond. In het rollenspel kroop de heer G.J. van Rossen, directielid van Modus Vivendi, in de huid van de klant. Bijgestaan door de Rotterdamse advocaat, mr. L. Th. Boender, deed hij het verzoek om onderbewindstelling volgens Burgerlijk Wetboek I. Niemand minder dan de Rotterdamse advocate, tevens oud rechter-plaatsvervanger, mevrouw mr. H.D.L.M. Schruer, had, als mede-organisator van het seminar, de verantwoordelijkheid het vonnis te zullen wijzen. De voormalige kantoorgenoten Boender en Schruer stonden dit keer bij wijze van uitzondering ‘tegenover elkaar’ in de rechtbank en de heer G.J. van Rossen dit keer ‘aan de andere kant van de balie.’ Dit leverde zo nu en dan komische taferelen op. In de nabeschouwing van de rollenspelen werd de zaal door Boender en Schruer rijkelijk voorzien van praktische- en nuttige wenken welke hulpverleners konden gebruiken in de aanloop naar onderbewindstelling. Boender wees met name op het belang van het aanvoeren van enkel feitelijke gegevens en inleving in de vaak complexe situatie van de klant, wanneer deze kampt met geestelijke- emotionele beperkingen. Schruer benadrukte de noodzaak van adequate aanlevering van benodigde (bewijs)stukken ter onderbouwing van het verzoek om onderbewindstelling. De basis De studiemiddag werd afgesloten door mevrouw mr. Schruer met uitleg over praktische problemen in de begeleiding van klanten met schulden. Hierin blikte zij terug op de uitvoering en toepassing van de minnelijke middelen welke met ingang van 1 januari 2008 voor klanten met schulden tot de mogelijkheden behoren. Mevrouw mr. Schruer staat voor diegenen die werkzaam zijn in de schuldhulpverlening en insolventiepraktijk te boek als ‘lopende juridisch encyclopedie’. Mevrouw mr. Schruer riep de zaal op tot intensievere begeleiding van klanten in de aanvraag van minnelijke middelen bij de rechter zoals dwangakkoorden, voorlopige voorzieningen en moratoria. “Hulpverleners die hun klant adequaat en goed voorbereid bijstaan bij de aanvraag van voornoemde middelen, wekken vertrouwen!”. Ook dit keer passeerden diverse juridische precedenten en triomfen de revue, waarbij zij op eigen kenmerkende wijze kanttekeningen plaatste, voortgesproten uit jarenlange ervaring met schuldhulpverlening en de insolventieadvocatuur. En niet te vergeten.. Aan het einde van de zeer geslaagde studiemiddag was er een borrel waarbij de ‘haute connaissance’ rondom schuldhulpverlening van gedachte kon wisselen met haar toehoorders. De aanwezige alumni van de Erasmus Universiteit; Schruer, Boender en Jungmann vermaakten zich in het kader van ‘integrale benadering’ opperbest. Jazeker, het was nog lang gezellig die middag…
|