De bewindvoerder kan ook goed worden ingezet buiten de WSNP: that's the way it is! Afdrukken E-mail
woensdag 22 juli 2009


Walter Leland Cronkite Jr. had zijn CBS-verslag van het seminar die de Branchevereniging Bewindvoerders WSNP (BBW) in samenwerking met Modus Vivendi organiseerde, met die woorden kunnen afsluiten. Tot die conclusie kwamen de sprekers die op 30 juni jongstleden een bijdrage leverden aan deze studiebijeenkomst in het centrum van ons land. WSNP-minnend Nederland was naar Utrecht gekomen om naar, zoals de dagvoorzitter I.P. van Rossen de uitgenodigde mede-sprekers introduceerde, ‘de crème de la crème van de wetgeving rondom schuldhulpverlening’ te luisteren. De sprekers werd gevraagd hun visie te geven op het thema “Schuldsaneringsverklaring en schuldhulp tegen betaling: monopolie van de gemeenten?” De aanzienlijke terugval van WSNP-toelatingen en de geconstateerde uitvoeringsproblemen in het minnelijk traject waren aanleiding tot het samenkomen en uitgebreid in gaan op de mogelijke oplossingen en alternatieven.

De heren H. Von den Hoff (Bureau WSNP) en G.H. Lankhorst (Min. van Justitie) pleitten respectievelijk voor het categoraal aanwijzen van geregistreerde WSNP-bewindvoerders voor afgifte van schuldsaneringsverklaringen ex art. 285 Fw en positionering van de bewindvoerder als zijnde een ‘sterk merk.’ Hun pleidooien onderbouwden zij met  authentieke competenties en specifieke kennis die de bewindvoerders uit hoofde van hun wettelijke taak bezitten. Deze beroepsgroep voldoet niet alleen aan de objectieve kwaliteitseisen (o.a. audits, permanente educatie) en weet een onafhankelijke positie in te nemen, maar geniet tevens het vertrouwen van de rechtbanken en crediteuren. Om die redenen zou een bewindvoerder ook goed dienst kunnen doen als beschermingsbewindvoerder (Boek 1 BW), faillissementscurator of budgetbeheerder. De bewindvoerder  zou zich tevens kunnen begeven op het vlak van coaching en advies ten aanzien van ‘gedwongen medewerking’ en ‘voorlopige voorzieningen’ ex artikel 287a en 287b Fw.

De weg naar een nieuwe aanpak van schuldhulpverlening en het thans nog in concept omhulde wettelijk kader werden uiteengezet door de heren I.P. van Rossen (Modus Vivendi) en M. Oosterom (Min. van SZW).  Eerstgenoemde ving zijn rede aan met een toepasselijke verwijzing naar de piramide van Abraham Maslow, van waaruit hij de toehoorders in de zaal meevoer naar de geschiedenis die aan de huidige benadering van de schuldhulpverlening ten grondslag heeft gelegen. Deze ‘theorie van de toenemende behoefte’ weerspiegelt de politieke visie ten opzichte van de aanpak van schuldenproblematiek van toen en nu. Zo rapporteerde de Commissie Boorsma (1994) de noodzaak tot het ontwikkelen van ‘integrale schuldhulpverlening’ waarbij niet alleen op zoek wordt gegaan naar een oplossing van schulden, maar ook naar oorzaken en gevolgen daarvan. Hoewel de verantwoordelijkheid van uitvoering van de integrale schuldhulpverlening van oudsher bij de gemeenten en de door haar aangewezen instanties ligt, is er in de praktijk nu al een ‘wettelijk kader’ gecreëerd op grond waarvan onder meer een bewindvoerder (ingevolge de Faillissementswet) minnelijke activiteiten zou mogen ontplooien. Hierbij kan worden verwezen naar onder meer de artikelen 48 lid 1 sub d en lid 2 Wck  en 3:5 lid 3 Wft. Feitelijk is dit het resultaat van een sterk staaltje van Maslow’s ‘Third Force Psychology.’ Een toenemende behoefte kan de mens verder laten kijken dan zijn dierlijke instincten en kan zich engageren in creatieve activiteiten die zowel zijn welzijn als die van de maatschappij verbeteren.

Oosterom sloot het seminar af met een uitgebreide toelichting van de notitie van 5 juni 2009 die Staatsecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer had aangeboden. Deze notitie vormt de basis voor het nader op te stellen wetsvoorstel ‘ wettelijk kader minnelijke schuldhulpverlening’  waarbij de Gemeentelijke schuldhulpverlening een sleutelrol zal krijgen. Oosterom  gaf aan dat het onderzoek “Schulden? De gemeente helpt!” dat Hiemstra & de Vries exact een jaar geleden uitbracht, had uitgewezen dat de effectiviteit van gemeentelijke schuldhulpverlening beperkt was (gemiddeld 22%). De effectiviteit kan beter door de gemeentelijke taak een wettelijke basis te geven. Ondanks dat het ‘smachtend publiek’ hoopte op tal van punten feitelijke hervormingen in de uitvoering te horen te krijgen, kon Oosterom jammer genoeg nog slechts de inhoud op hoofdlijnen presenteren. Over de precieze invoering van het ‘wettelijk kader minnelijke schuldhulpverlening’ kon Oosterom nog geen precieze datum noemen. Omstreeks december van dit jaar zal het bij de Tweede Kamer worden ingediend, waarna er wordt gestreefd omstreeks juli 2010 tot invoering over te gaan.

Op 20 juli maakten verschillende nieuwsbladen bekend dat de Gemeentelijke Kredietbanken genoodzaakt zijn extra personeel aan te trekken om het sterk toenemend aantal schuldhulpaanvragen aan te kunnen. Dit moet toch voor staatssecretaris Klijnsma reden zijn om voor de oplossing voor dit probleem in de bewindvoerdershoek op zoek te gaan? Deze goed opgeleide geregistreerde ‘verborgen talenten’ liggen als gevolg van een sterke terugloop in benoemingen, voor het oprapen!

V.T. Raats
Over de auteur:
Sinds 2002 actief als Bewindvoerder WSNP/Curator bij Modus Vivendi Wettelijk Traject B.V.
 
Advertisement
Template creation and website implementation by One-Company Interactieve Communicatie, Industrieweg 18, 4051 BW Ochten, Nederland. Telefoon: 0344-641040