Bankrun(d)! Afdrukken E-mail
dinsdag 20 juli 2010

Het heeft een half jaar geduurd, maar het is er na herhaaldelijke uitstel van publicatie, dan toch van gekomen. Onder leiding van Prof. mr. Michiel Scheltema bracht de onderzoekscommissie vorige maand het  Rapport van de commissie van Onderzoek DSB Bank uit. Het rapport, waar toenmalig Minister van Financiën Wouter Bos in oktober 2009 opdracht toe gaf, bevat tal van kritische noten in de richting van uiteraard de bank van Dirk Scheringa (DSB) de Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Pieter Lakeman.

Zo oordeelt commissie Scheltema dat DNB en de AFM daadkrachtiger hadden moeten optreden bij DSB Bank en er hadden meer eisen gesteld moeten worden aan toekenning van de bankvergunning. DNB heeft de gebreken in de bestuursstructuur van DSB onvoldoende onderkend en ook de AFM had slagvaardiger kunnen zijn. Bij verlening van een bankvergunning aan DSB, had DNB meer voorwaarden moeten stellen. "Financieel was de zaak in orde", oordeelt Scheltema. "Maar DNB had meer eisen moeten stellen alvorens een bankvergunning te verlenen." DNB had er op moeten wijzen dat DSB "een bestuursstructuur had die niet past bij een bank" en zich "op het standpunt moeten stellen dat fundamentele wijzigingen nodig waren". Daarnaast concludeert Scheltema dat DSB haar verdienmodel niet tijdig genoeg had “aangepast." Toen DNB uiteindelijk besloot in te grijpen was het te laat. Het optreden van Pieter Lakeman, die spaarders op 1 oktober 2009 opriep hun tegoeden op te eisen, werd door Scheltema als "bepaald onwenselijk" beschouwd. Indien deze aanzet tot ‘bankrun’ niet had plaatsgevonden, had een faillissement voorkomen kunnen worden. Demissionair Minister Jan Kees de Jager gaf bij het in ontvangst nemen van het rapport, dat de toezichthouders lessen moeten trekken en dat waar nodig de bevoegdheden van de toezichthouders moeten worden verruimd. Voorts kondigde hij aan de wet zo snel mogelijk te willen aanpassen.

Hoewel het Openbaar Ministerie nog geen vervolging heeft ingesteld tegen Pieter Lakeman zijn steeds meer experts van mening dat Lakeman zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf. Hoewel in de Nederlandse wetgeving geen specifieke delictomschrijving is voor het moedwillig veroorzaken van bankrun, zou strafrechtelijke vervolging toch mogelijk kunnen zijn. Op grond van tenminste drie artikelen van het Wetboek van Strafrecht zou Lakeman mogelijk vervolgd kunnen worden: het smaadartikel 126 (het opzettelijk aanranden van iemands goede naam en reputatie), artikel 142 (opzettelijke verstoring van de rust door valse alarmkreten of signalen) en artikel 324 (de wederrechtelijke bevoordeling door het verspreiden van leugenachtige berichten).

De vraag in hoeverre de DSB-bestuurders eventueel aansprakelijk kunnen worden gesteld blijft thans nog onbeantwoord. De Nederlandse wet legt de ‘lat voor bestuurlijke aansprakelijkheid’ erg hoog. Er zal ‘onbehoorlijk bestuur’ en ‘wetenschap van benadeling van crediteuren’ moeten worden aangetoond. Ook het aansprakelijk stellen van toezichthouders blijkt geen gemakkelijk klus te zijn. Als een toezichthouder onrechtmatig zou hebben gehandeld is dat eerder de AFM, die de zorgplicht van financiële instellingen in de gaten moet houden, aan te rekenen dan de DNB. Laatstgenoemde is de facto slechts verantwoordelijk voor het toezicht op de liquiditeit en solvabiliteit.

In een soortgelijke kwestie werd in 1995 de N.V. Levensverzekeringsmaatschappij Vie d'Or failliet verklaard. De Hoge Raad der Nederlanden besliste dat het Gerechtshof een verkeerd criterium heeft gehanteerd om te toetsen of de Verzekeringskamer haar toezicht behoorlijk heeft uitgeoefend (LJN AP0151, C04/279HR).Voorts zou het Hof niet of niet goed gemotiveerd zijn ingegaan op al de argumenten van de Verzekeringskamer, die erop neerkomen dat zij wel voldoende maatregelen heeft genomen om aan de problemen bij Vie d'Or het hoofd te bieden en dat zij, gelet ook op de daaraan verbonden nadelen, nog geen concrete redenen had om eind 1991 een stille bewindvoerder te benoemen (C04/281HR en C04/286HR). Ook had het Hof niet op alle vereiste factoren gelet en dus niet of niet goed gemotiveerd was ingegaan op al de argumenten die de accountants en de actuaris in dit verband naar voren hadden gebracht. Deze argumenten komen erop neer dat zij de directie en de raad van commissarissen niet hebben misleid over de solvabiliteit van Vie d'Or en dat zij voldoende waarschuwingen hebben gegeven of adequate maatregelen ter verbetering van de situatie bij Vie d'Or hebben getroffen.

De Jager heeft onlangs aangegeven al met het Ministerie van Justitie in overleg te zijn getreden om te kunnen bezien of het aanzetten tot bankrun strafbaar kan worden gesteld. In een brief aan de Tweede Kamer heeft de Jager laten weten tevens te bezien of een civielrechtelijke benadering mogelijk is. Volgend jaar zomer wil de Jager de tweede kamer nader informeren over de mogelijkheden van strafbaarstelling.

bronnen:
1. Rapport van de commissie van "Onderzoek DSB Bank"
2. Volkskrant, 4 december 2009
3. Uitspraak Hoge Raad inzake Vie d'Or


V.T. Raats
Over de auteur:
Sinds 2002 actief als Bewindvoerder WSNP/Curator bij Modus Vivendi Wettelijk Traject B.V.
 
Advertisement
Template creation and website implementation by One-Company Interactieve Communicatie, Industrieweg 18, 4051 BW Ochten, Nederland. Telefoon: 0344-641040