fff“Je kunt niet alleen de behoefte hebben om mensen te helpen, je moet ook oplossingen kunnen geven” Vanaf het allereerste begin van Stichting Modus Vivendi is J. van Rossen voorzitter geweest van Stichting Modus Vivendi. Als schuldhulpverlener is hij nu bijna 25 jaar lang aktief om mensen met schulden bij te staan in het vinden van een oplossing voor hun financiële problemen. Voortdurend is hij bezig met het onder de aandacht brengen bij de politiek van de problematiek van schuldhulpverlening. Daarbij heeft hij altijd gepoogd een constructieve bijdrage te leveren door ook na te denken over levensvatbare oplossingen daarvoor. Kritiek hebben is één, een oplossing bieden is het volgende. In dit interview laat hij 25 jaar schuldenproblematiek de revue passeren:
"Mijn eerste schreden op het pad van de schuldhulpverlening heb ik gezet in 1985, nu bijna 25 jaar geleden. Ik werd destijds gevraagd vanuit de kerk een gezin te helpen waarvan men de indruk had dat het financiële problemen had. Op dat moment was dat gegeven voor mij volstrekt nieuw. Ik ben toen met dat echtpaar gaan praten en kwam gaandeweg in een wereldje terecht dat mij volkomen in haar greep kreeg. Ik zag dat daar dingen gebeuren die in het “normale” leven volstrekt niet zichtbaar zijn. Ik ging daar echt een deur door op een wijze van “hé, wat gebeurt hier? Wat is hier aan de hand?”. Toch was ik zelf ook geen echte onbekende met financiële problemen; toen ik begon te studeren had ik namelijk al een gezin. Ik heb toen ook op veel creatieve manieren financieel moeten zien te overleven. Ik ben er toen ook wel achter gekomen “hoe het werkt” om regelingen te treffen, maar ook wat het is om in een problematisch financiële situatie te leven.
Oorzaak Op bepaalde momenten is het bij het maken van schulden ook een keuze die je maakt. In mijn geval was dat: “ik wil studeren”. Vervolgens kan je toch, hoe wel overwogen ook, terechtkomen in een situatie waarin je zegt : “Oei, had ik dat geweten!”. Uiteindelijk kan je dan, met veel volhardendheid, tot een oplossing komen. Bij het eerste gezin waar ik destijds “schuldhulpverlening” deed was er dus om die reden wel meteen een punt van herkenning. Hoewel ik inmiddels een baan als docent en geen financiële problemen had, geloof ik niettemin dat de ervaringen die ik had opgedaan in mijn studietijd, nu konden dienen om deze groep mensen te kunnen helpen. Vanuit mijn achtergrond geloof ik, ook op basis van die ervaringen, niet in toeval. Uitdaging Tot op de dag van vandaag is de confrontatie met voor anderen onoplosbare problemen voor mij altijd een trigger gebleven om oplossingen te vinden. De vraag die je jezelf stelt in zulke situaties, namelijk: “Moet ik daar niet iets aan doen?”, heb ik, soms tot wanhoop van mijn omgeving, nooit ontkennend kunnen beantwoorden. Dat gold ook bij mijn vader hoorde ik jaren nadat hij was overleden. Hij hield zich al in de jaren dertig bezig met schuldhulp; gedreven en met beperkte financiële middelen. Maar ook met veel creativiteit; hij ging mensen mobiliseren op zijn werk, bij rijke familieleden of de kerk om oplossingen te vinden voor gezinnen die schulden hadden en niet uit de problemen konden komen. Destijds al liet mijn vader zich niet leiden door de gedachte “Eigen schuld, dikke bult”. Kennelijk zag hij, op dezelfde manier als ik, de impact van financiële probleem. De ingrijpende gevolgen die de problemen kunnen hebben. Vooral als je de oplossing dan ook al ziet, want dat moet je ook wel hebben. Je kunt niet alleen de behoefte hebben om mensen te helpen, je moet ook oplossingen kunnen geven.. Oplossingen Voor Modus Vivendi waren de eerste oplossingen vooral, met een enorme gedrevenheid, schuldeisers op een bepaalde manier bellen. Wij legden de problematiek vaak zo zwaar bij de schuldeisers neer dat die inderdaad de indruk kregen: “wauw, wat is hier aan de hand, ik kan hier gewoonweg niet weigeren een regeling te treffen”. Het is eigenlijk ook nooit nièt gelukt een regeling te treffen. Je moet dan wel bedenken dat er in de begintijd helemaal niet zoiets bestond als convenanten of iets dergelijks en dat bovendien het treffen van regelingen vooral het domein van kredietbanken en gemeenten was. Opeens hadden deurwaarders en incassobureau's te maken met een stichting die hen op een heel confronterende manier de problematiek van mensen onder de aandacht bracht. Dat realiseerden wij ons overigens niet! Wij namen ook geen genoegen met de mededeling “stuurt u maar een briefje, dan zullen we er naar kijken”. We hadden, en hèbben, echt de overtuiging dat de deurwaarder moest inzien dat dit voorstel het best mogelijke was. Daardoor kon hij het weer aan zijn opdrachtgevers uitleggen. In het begin merkten wij dat deurwaarders wel relatief snel akkoord gingen, waarschijnlijk dachten zij ook : ”Laten wij het eens proberen”. Aanpak Op een bepaald moment ging dat wat moeizamer. Misschien omdat de medewerkers of de opdrachtgevers de opdracht meekregen om ook eens een keer nee te zeggen. Dan was voor ons de uitdaging natuurlijk des te groter. Destijds namen wij het probleem van de schuldenaren wel over of op ons en waren wij daarom ook zo gedreven. Die gedrevenheid is gebleven, de mate waarin wij het probleem overnemen is anders geworden. Nu zien wij toch ook de toegevoegde waarde om de mensen zelf te betrekken in het oplossen van hun problemen. Destijds zagen wij de schuldenaren echt als gekooid in hun problemen en probeerden wij ze daar zo snel mogelijk mentaal uit te krijgen en dan vooral door, voor die mensen, in de kooi te treden. Vervolgens merkten wij echter dat sommige mensen dan vervolgens òns aanwijzingen gingen geven over hoe wij hun probleem moest oplossen. Dat leek toch geen duurzame oplossing! Nu proberen wij met de schuldenaar de kooi open te breken en de mensen zelf uit de kooi te laten stappen.
Verbod Natuurlijk werden wij in de beginjaren ook geconfronteerd met het verbod op schuldbemiddeling. Maar dat heeft mij ons nooit van weerhouden toch oplossingen te vinden voor mensen met schulden. Er was, ook destijds, een zeer grote categorie mensen die eenvoudigweg nièt geholpen werd door de reguliere instanties. Er was toen al een zeer lage gerapporteerde effectiviteit van de GKB's. Ik heb dat nooit kunnen begrijpen, en ook niet willen accepteren, dat dat de bijdrage van de overheid is aan armoedebestrijding. De gangbare weg bij de reguliere instanties was destijds: mensen melden zich aan, daarvan viel een gedeelte af omdat zij niet door de screening heen kwamen, een aantal zaken niet nakwamen of wilden nakomen. Als de mensen dan werden geaccepteerd maar er gebeurde iets met de schuldeisers of ze hadden bepaalde schuldeisers dan vielen zij ook af. Was die schuldeiser bijvoorbeeld berucht om haar weigerachtigheid willekeurig welke regeling te treffen dan kon het dus gebeuren dat mensen afvielen voor de reguliere schuldhulpverlening op basis van het enkele feit dat die schuldeiser één van hun crediteuren was. En zo ging dat maar door, totdat uiteindelijk slechts een handjevol geholpen werd. Door het verbod op schuldbemiddeling zijn wij, en klanten van ons, altijd bezig geweest met het vinden van sponsoring. Veelal waren dat gemeenten, maar vooral ook diaconiën en werkgevers zijn degenen die de rekening oppakten van het werk dat de overheid weliswaar exclusief voor zichzelf trachtte te houden, maar onvoldoende invulde. Leerproces De eerste gezette stappen op het vlak van schuldhulpverlening omhelsde toch een beetje aftasten in een, voor ons onbekend, gebied. Een VTLB bestond in die tijd nog niet, maar Modus Vivendi had wel de vaste overtuiging dat een gezin, afgezien van hun vaste lasten, van voldoende leefgeld moesten kunnen leven om het ook te kunnen volhouden. De vaste lasten verschilden natuurlijk per persoon en moesten in ieder geval betaald kunnen worden. Met wat er dan resteerde probeerden wij dan voor de schulden een regeling te treffen. Ondertussen was er wel steeds intensief contact met de schuldenaren vooral vanwege het feit dat er vaak ook nog andere problemen waren waarvan wij, vanuit onze grondslag, vonden dat wij ze daarin ook moest bijstaan. Wat dan toch vaak bleek was dat als er dan een regeling was getroffen en wij regelmatig navroegen of het lukte met het nakomen daarvan dat dan aan het eind van de afbetaalperiode bleek dat mensen nieuwe schulden hadden gemaakt. De eerste schuld was wel opgelost, maar er stonden al weer nieuwe schuldeisers aan de deur te kloppen! De eerste reactie is dan niet om dan maar die mensen aan hun lot over te laten omdat ze kennelijk toch niet van hun problemen wilden leren; de conclusie was wèl dat die aanpak niet werkte. Vaak hadden mensen ook wel een plausibel verhaal waarom die schulden waren ontstaan. Sommigen ook niet en daarvan moest je dan ook op enig moment durven concluderen dat die niet te helpen waren of eenvoudigweg niet te goeder trouw waren. Budgetbeheer Uiteindelijk is de conclusie getrokken dat eigenlijk de enige manier van effectieve schuldhulpverlening bestond in gelijktijdig budgetbeheer. Wij realiseerden ons dat zolang mensen met schulden meer dan leefgeld in handen hebben, zij ook schulden zouden maken. Een maand de huur overslaan is natuurlijk een heel effectieve manier om een flink bedrag tot je beschikking te krijgen. Tot onze niet geringe verbazing vonden de mensen dat budgetbeheer helemaal niet erg! En bovendien bleek dat het ook de schuldeisers veel meer vertrouwen gaf dat de afspraken zouden worden nagekomen. Hoewel budgetbeheer tegenwoordig wijd verbreid is, werd het destijds gezien als een onjuiste vorm van schuldhulpverlening; de gedachte was dat je er mensen te afhankelijk mee maakte, dat het te betuttelend was. Destijds werd budgetbegeleiding, waarbij je mensen iedere week langs liet komen om het huishoudboekje te bespreken, de gangbare norm. Voor Modus Vivendi was duidelijk dat dat niet werkte. De ervaring van twee jaar voor niets bezig zijn en niets bereikt hebben maakte duidelijk dat het anders moest. De realisering was er ook dat als dat niet lukte wij met schuldhulpverlening moesten stoppen omdat er dan door ons kennelijk geen oplossing voor was te bedenken. Het bleek echter zo effectief te zijn dat wij dat pad eigenlijk nooit meer hebben verlaten. Niet alleen Stichting Modus Vivendi heeft zich altijd gelukkig geprezen met de ondersteunende adviezen van professionele symphatisanten zeer veel mensen. Zowel mensen in onze raad van Advies, als juridische experts in de begintijd van onze stichting en nog steeds die, vanuit hun betrokkenheid bij de problematiek, bereid waren die extra stap te maken die nodig was om oplossingen te vinden. In onze raad van Advies zitten mensen die al meer dan bijna vijftien jaar lang (!) geheel belangeloos iedere twee weken met ons vergaderen en brainstormen over de schuldenproblematiek en de daarbij behorende bedrijfsvoering. Zonder deze deskundigen was er zelfs geen Modus Vivendi. Ook in de politiek hebben wij gelukkig altijd een klankbord gevonden voor het werk rondom schuldenproblematiek. Hier wil ik toch enkele namen noemen. Leen van Dijke van, destijds, de RPF en Eimert van Middelkoop, nu minister van Defensie en destijds Tweede Kamerlid voor de GPV, hebben gezorgd voor een stem van de private schuldhulpverlening in de politiek. Mede door hun inbreng is de achterdocht die er bestond, en soms nog steeds bestaat, jegens private schuldhulpverlening in de loop der tijd gelukkig gaandeweg minder geworden. Juist het gebrek aan regelgeving, waar een enorme behoefte aan bestond als gevolg van het grote aantal ongeholpen mensen, heeft lange tijd de malafide bureau's vrij spel gegeven. Door een gebrek aan handhaving bezorgden de malafide bureau's de initiatieven van anderen een slechte naam. Mede het feit dat er nu een norm bestaat zal aan die praktijken hopelijk een einde gaan maken. Inkomensval Het grote probleem met schulden was en is dat juist de mensen met een uitkering vaak financiële problemen hebben. Dat is rekenkundig en met de wet van de grote getallen natuurlijk ook wel te verklaren. Waar de mensen met een uitkering niettemin vaak tegenaan liepen was dat als zij uit de uitkering kwamen en een baan vonden dat vrijwel meteen de deurwaarder loonbeslag liet leggen bij de werkgever. Hierdoor kon het gebeuren dat mensen mèt werk toch vaak minder inkomen hadden dan mensen zònder werk. Ze maakten meer (reis-)kosten, hadden minder aanvullende voorzieningen en subsidies etc. Dat werkte natuurlijk enorm ontmoedigend; werk betekende meer problemen! Een van de mensen die daar aandacht voor vroeg, maar er waren er natuurlijk velen, was onder andere Leen van Dijke. Die leerden wij kennen door een artikel in de krant over hem en waarin hij precies de problematiek beschreef die wij dagelijks meemaakten bij onze klanten. Hij was ook degene die aandacht vroeg voor de particuliere schuldhulpverlening en via hem kwamen wij in contact met andere private schuldhulpverlener. Aangezien met hen een gemeenschappelijke visie op schuldhulpverlening bestond en wij vooral de doelstelling daarvan deelden, is er een branchevereniging opgericht die op enige moment ook nog een flink aantal leden had. Dat is helaas maar een kort leven beschoren geweest. Daar is toen echter wel de kiem gelegd voor veel latere contacten en overleg met instanties zoals het bureau WSNP en de NVvK.
NVVK Destijds was toch wel het gevoel dat een dergelijke branchevereniging als ISB ( Branchevereniging Integrale Schuldhulpverlening en Bewindvoering) een goed podium was voor overleg waarbij ook de “kleinere” leden goed hun ei kwijt konden. Gelukkig begon de NVVK in die periode ook het lidmaatschap open te stellen voor niet-GKB's waardoor de noodzaak voor een aparte branchevereniging ook enigszins afnam. Uiteindelijk is Stichting Modus Vivendi ook lid geworden van de NVVK. Daar hebben wij nog vrij lang mee gewacht omdat wij, vooral vanuit de doelstelling van de stichting, toch wel aanhikten tegen het gegeven dat volgens de NVVK-methodiek mensen, bijvoorbeeld op grond van hun inkomen, afgewezen konden worden voor schuldhulpverlening. Inkomen is natuurlijk geen meetlat of criterium voor de behoefte aan hulp! Stichting Modus Vivendi had jarenlang als (enig) toelatingscriterium dat mensen moesten zijn afgewezen door een GKB. Door minder stringente toetsingscriteria, maar zeker ook door een NVVK-bestuur waarin minder “haviken” zaten voor wat betreft hun visie op particuliere schuldhulpverlening, en ook door het groeiende besef binnen de politiek dat schuldhulpverlening voor iedereen beschikbaar dient te zijn, zijn wij dus inmiddels ook lid geworden van de NVvK. NEN Op een van de laatste normvergaderingen van het NEN heb ik de gemoederen heel hoog op zien lopen. De NVB zou met een voorstel komen over de wijze waarop de schuldeisers met de termijnen zouden omgaan. Zij hadden al aangegeven niet akkoord te zullen gaan met het onbesproken laten van de termijn van 36 maanden maar waren op het eind nog steeds niet met een standpunt gekomen over die termijnen. Daardoor dreigde natuurlijk een terugkerend probleem te ontstaan. Niet melden van de termijn, die op 36 maanden staat, zou de schuldeisers nog steeds vrij spel geven over de termijnen, wel opnemen van de termijn, anders dan 36 maanden, zou de vlam in de pan doen slaan binnen de NVvK. Binnen het besef dat je als schuldhulpverlener aan iedere schuldeiser moet kunnen uitleggen waarom het traject zolang is als dat hij is is het gelijkelijk duidelijk dat zonder consensus met de schuldeisers er, ondanks de normering, nog steeds veel ongelijkheid zou blijven die afhing van iedere individuele schuldeiser en schulhulpverlener. Het maakt wel degelijk uit of je een AOW-er of een jonge vent bent, een alleenstaande moeder of een tweeverdiener; of je pas schulden hebt of dat je al jaren in de financiële problemen zit. Als je daarover met de schuldeisers geen afspraken weet te maken dan gaat, hoe genormeerd het ook is, de schuldhulpverlening niet werken. En of die afspraken dan in de bijlage staan of in een convenant, of wat voor juridische creatie ook, dan is dat mij eigenlijk om het even. In retrospect kun je zeggen dat de norm-commissie misschien niet helemaal het podium was voor die discussie. Je kan denk ik ook als schuldhulpverlener verwachten van de schuldeisers dat zij publiekelijker dan tot nu toe, hun standpunten uitdragen. Schuldhulpverleners hebben behoefte aan die duidelijkheid! Anders Terugkijkend op 25 jaar schuldhulpverlening zou ikzelf het absoluut weer aangaan. Ik zou het wel heel anders doen omdat ik natuurlijk veel heb meegemaakt en geleerd. Maar dat is achteraf. Voorzover door mij nog een bijdrage geleverd kan worden probeer ik toch steeds mee te denken hoe het beter kan. Ik zou bijvoorbeeld veel meer dan wij nu gedaan hebben, ingezet hebben op coaching en nazorg. Nu zie je de samenleving bol staan van de schuldhulpverlening en is het in feite een bedrijfstak geworden waar heel veel geld in omgaat. Bedenk eens hoe je dat aan coaching en nazorg zou hebben kunnen besteden! Gelukkig vindt inzet op preventie ook steeds meer plaats, anders wordt de problematiek onbedwingbaar. Ik zou ook meer aandacht hebben gevraagd over wederzijdse verwachtingen tussen schuldenaar en schuldhulpverlener. Nu hoor je toch soms heel vreemde verhalen over klachten van schuldenaren. De vergelijking dringt zich dan op van een drenkeling die op de kant geholpen is en die klaagt over de knopen die daarbij van zijn jas zijn gerukt. Hulpverleners kun je in hun werkzaamheden mijns inziens ook niet op dezelfde wijze bekijken als “gewone” werkers. Een arts klaag je ook niet aan vanwege de bijwerkingen van zijn behandelingen, wèl als hij een (kunst)fout maakt natuurlijk maar niet omdat de behandeling te zwaar was of niet gelegen kwam. Voor je het weet kom je terecht in een veramerikaniseerde maatschappij waarin de ene mens de andere niet helpt vanwege het risico dat je loopt op de aansprakelijkheden. Dat moet je niet willen.
Tenslotte Als je mij vraagt naar een vuistregel die goed toe te passen is binnen de schuldhulpverlening dan zou ik toch zeggen: “Er is niks mis met sober leven”. In gesprekken met mensen probeerde ik ze altijd mentaal goed voor te bereiden op het schuldhulpverleningstraject voor de komende drie jaar. Ik vertel ze altijd dat als het hen niet lukt om goed mee te werken dat het dan ook niet gaat lukken. Zij bepalen het uiteindelijke succes, het is ook hùn trofee. In het begin had ik heel sterk de neiging om te zeggen: “Komt in orde!”, want ik zag de oplossing. Maar dat is niet genoeg want je gaat dan om de cliënt heen. Je legt wel je arm om zijn schouder, maar dat is niet het enige. Dat kan ook nodig zijn natuurlijk, maar met schuldhulpverlening heeft het niets te maken. Jouw taak als schuldhulpverlener is ook er voor te zorgen dat mensen niet meer in de financiële problemen komen. Punt! En dan kun je soms heel simpele, en toch zeer moeilijke, afspraken maken met mensen wat dan hun deel van de afspraak vertegenwoordigt. Ik heb meerdere malen met mensen afgesproken dat ik zou helpen als zij beloofden niet te gaan scheiden en dan zouden we over een jaar nog een keer een gesprek daarover hebben. En dat is een paar keer heel succesvol geweest. Ik denk dat het geen kwaad kan binnen de schuldhulpverlening ook dat soort afspraken te maken. Natuurlijk zou ik ze ook zonder die afspraak geholpen hebben. Die afspraak maakte dat zij hun tastbare bijdrage aan de oplossing konden geven."
|