Blijkens de agenda-planning van de Tweede Kamer vindt in week 25 behandeling van wetsvoorstel 32 291 (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) plaats (inmiddels verplaatst na het zomerreces). Met deze wet wil de centrale overheid de gemeenten verantwoordelijkheid geven voor schuldhulpverlening. Afgezien van een kleine nota van wijziging betreffende artikel 4, waarin “elektra” is vervangen door de woorden “electriciteit, stadverwarming” ligt dit wetsvoorstel sinds de verslaglegging van 12 maart 2010 bij de Tweede Kamer als voorbereide wetgeving te wachten op haar plenaire behandeling. Wegens de niet-controversiële status van deze wet zou inwerkingtreding binnen niet al te lange tijd moeten plaatsvinden. En toch knaagt er iets... De reserves De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid deed op 12 maart 2010 verslag van haar bevindingen betreffende de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Blijkens de gestelde vragen zijn er onder de diverse politieke geledingen, ondanks de gebleken positieve grondhouding, toch nog diverse kritische reserves over de wet. Zelfs uitte één van de partijen (VVD) de vrees dat deze wet vooral symbolisch van aard zal zijn (zie paragraaf 1 van het verslag). Naast zorgen over het ontbreken van kwaliteitsnormen, meetinstrumenten voor vaststelling van de effectiviteit, praktische invulling van de verwoorde wettelijke taken en praktische knelpunten in de verwachte uitvoeringspraktijk, uitten de Tweede Kamer fracties vanzelfsprekend, zij het in beperkte mate, ook een aantal vragen over (de positie van) de schuldeiser. Grosso modo zijn de vragen daarover in twee categorieën in te delen, namelijk de categorie vragen over de dwang van de (niet-meewerkende) schuldeiser en de categorie vragen over het vertrouwen van schuldeisers in de uitvoering. Vooral de eerste categorie vragen heeft, in het licht van de belangrijkste reden voor mislukte minnelijke trajecten, een onevenredig tekort aan aandacht gekregen. Dat een grotere mate van aandacht voor de weigerende crediteuren op zijn plaats is valt te onderbouwen uit het gegeven dat, blijkens de officiële statistieken en diverse monitor-verslagen, het juist de weigerende crediteuren zijn die al decennia lang (zie Kamerst. 22 538 nr. 4: Bijstands- en minimabeleid, 1992 tot heden) met grote impact de geïnstitutionaliseerde schuldhulpverlening (al dan niet terecht) frustreren. Dat dit, ondanks de introductie per 1 januari 2008 van de moratoria, voorlopige voorzieningen en het dwangakkoord, kennelijk nog steeds een probleem is moge vervolgens blijken uit de vraag vanuit “de markt” om een breed minnelijk moratorium. Het valt te vrezen dat deze wet inderdaad tot symbool-wetgeving verheven zal worden bij verder achterwege blijven van behandeling van de positie van de weigerende schuldeiser. De NVVK gedragscode schuldregeling en de wet gemeentelijke schuldhulpverlening Er is nog een (belangrijker) aspect dat onbehandeld is gebleven in de bevindingen van de Tweede Kamer commissie en dat betreft de relatie tussen de (bijna universeel toegepaste) gedragscode schuldregeling van de NVVK en het huidige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel maakt in de Memorie van Toelichting expliciet melding van de gedragscode als onderdeel van het minnelijk traject. De opzet van het huidige wetsvoorstel geeft met die referte onbedoeld de (weigerende) schuldeiser een positie achter de knoppen van de gemeentelijke schuldhulpverlening die zover gaat dat de weigerende crediteur zelfs kan bepalen wie er wel of geen zorg ontvangt van de gemeente: Artikel 6.4 sub a van de gedragscode schuldregeling stelt dat ...indien de schuldeisers het voorstel, als bedoeld in artikel 5.6, niet accepteren, wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd.... Kortom, weigering van een crediteur leidt de facto tot mislukking van de schuldregeling en daardoor tot mislukking van de “integrale schuldhulpverlening”. Zonder regeling is er immers geen “integrale” oplossing aan te bieden. Hoe los je dat op? Er zijn twee manieren om dit te voorkomen: afstand doen van de gedragscode schuldregeling en toch doorgaan met de “integrale schuldhulpverlening” óf een akkoord afdwingen bij de rechtbank via een gedwongen medewerking. De eerste optie, namelijk de niet zo strikte hantering van de gedragscode, is een voor de hand liggende optie; de (dan wettelijk verankerde) zorgplicht kan niet anders dan vóórgaan op naleving van een (niet wettelijk verankerde) gedragscode. Dit maakt dan natuurlijk wel dat de schuldeisers hun vertrouwen in het traject (heel snel) zullen verliezen en de vrees van de VVD dat de wet gemeentelijke schuldhulpverlening symbool-wetgeving wordt zal dan ook snel bewaarheid worden. De tweede optie is formeel (nog?) geen onderdeel van de gedragscode schuldregeling en is niet per se een optie die alle gemeenten voor zichzelf weggelegd zien. Het is een intensiever uitvoeringstraject dat aanvullende eisen stelt aan de kwaliteit van de uitvoering welke ontegenzeggelijk van een hoger niveau dient te zijn (al was het maar ten gerieve van de (overbelaste) rechtbanken!). Het is bovendien arbeidsintensiever en kostenintensiever. Daarnaast is het toch ook riskanter omdat de weigerende crediteur (in de aanloop naar het akkoord toe) altijd vragen kan opwerpen die de schuldhulpverlener (nog) niet kan beantwoorden of waarbij de schuldhulpverlener onvoldoende waarborgen kan (willen) geven voor nakoming van het akkoord. En dus Het is te hopen dat de Tweede Kamer bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening voldoende aandacht zal geven aan de strategische overwegingen die sommige schuldeisers voor zichzelf formuleren in hun omgang met schuldenproblematiek. De afgelopen twee decennia (en langer) hebben doen blijken dat sommige crediteuren niet altijd fatsoensnormen en omgangsvormen als basisvertrekpunt hebben (fatsoen staat immers niet in de wet!). Dat juist de weigerende crediteur gaat bepalen wie wel of niet geholpen wordt in een traject (daarbij al dan niet door opportune (lees: financiële) overweging gevoed) zou een ironische uitwerking van deze (goed bedoelde) wet zijn. Overigens niet minder ironisch dan dat het juist de weigerachtigste crediteur van Nederland was die het meest zijn hand moest ophouden bij de overheid ten tijde van de kredietcrisis!
|