| Kwijtscheldingen |
|
|
| donderdag 28 februari 2008 | |
|
Een overheid bestaat bij de gratie van het kunnen innen van belastingen. Daarbij is de basisgedachte dat iedere ingezetene gelijkelijk meebetaalt aan belastingen. In de hedendaagse maatschappij, en ook sommige vroegere maatschappijen, is deze basisgedachte geëvolueerd naar de gedachte dat ieder meedraagt naar draagkracht: “De sterkste schouders de zwaarste lasten”. Dit leidt, bij een empathische overheid, automatisch ook tot de gedachte dat het in bijzondere gevallen mogelijk moet zijn voor bepaalde belastingen en heffingen kwijtschelding te geven.
Bekende heffingen waarvoor in Nederland kwijtschelding gevraagd kan worden zijn de lokale heffingen, waarvan er diverse bestaan. Te denken valt aan gemeentelijke heffingen (OZB, hondenbelastingen, milieuheffingen), provinciale heffingen (rechten en leges, grondwaterheffing), afvalstoffenheffing en waterschapsbelastingen. Door de grote verscheidenheid aan lokale regelgeving kan het verkrijgen van kwijtschelding, als gevolg van het woud van regels, voor de beoogde doelgroep tot een ondoorzichtig kluwen van formulieren en regels leiden. In toenemende mate is ook bij de uitvoerende organen dit besef aanwezig waardoor, binnen de één-loket gedachte, samenwerking tussen de organen op het gebied van kwijtscheldingsproblematiek aan de hand is. Ook de politiek draagt haar steentje bij aan het centraliseren van de toekenning van de kwijtschelding. Daarbij is inmiddels het uitvoerend inzicht van sommige van de organen die hiervoor verantwoordelijk zijn gelukkig ook niet te onderschatten.
Al met al zou een objectief beschouwer van het systeem kunnen zeggen dat, afgezien van het feit dat nog niet overal de centrale toetsing van het recht op kwijtschelding is geregeld, er weinig aan de hand is in kwijtscheldingenland. Toch zit er nog een klein addertje onder het gras: de overheid toetst het recht op kwijtschelding aan de hand van het netto-inkomen. Is dit een begrijpelijk uitgangspunt? Ja! Is dit een te allen tijde begrijpelijk uitgangspunt? Nee!
In de dagelijkse praktijk van de schuldhulpverlening en WSNP is de consequente en strikte uitwerking van dit uitgangspunt evident onredelijk. Gelijke gezinssituaties met problematische schulden waarbij in het ene gezin een bijstandsuitkering en in het andere gezin een inkomen uit arbeid aan de hand is, behandeld de overheid niet gelijk. In beide gevallen moet uit het inkomen, volgens een vaste berekening die is opgesteld door RECOFA (overleg Rechters-Commissarissen in Faillissementen), de aflossingen betaald worden. Werkenden krijgen daarbij een 5% bijstandsnorm arbeidsincentive. Van het restant, het zogenaamde VTLB (Vrij Te Laten Bedrag), moeten de gezinnen hun vaste lasten, waaronder de lokale heffingen, betalen. Alleen, en hier zit het addertje onder het gras, het gezin dat een bijstandsuitkering verkrijgt, en het zou bij wijze van spreken een buurman kunnen zijn van de werkende, krijgt eveneens kwijtschelding van de lokale heffingen terwijl het gezin dat het inkomen uit arbeid verkrijgt deze kwijtschelding niet verkrijgt. De reden hiervan ligt in de gehanteerde stelregel dat “aflossingen en/of rentebetalingen nooit meetellen als uitgaven”. Het totaal bedrag aan lokale heffingen overstijgt daarbij ruimschoots het totaal aan 5% arbeidsincentive (ca. € 42,00 tot € 60,00 per maand) dat werkenden extra mogen behouden van hun inkomen. (Nog daargelaten het feit dat de bijstandsgerechtigde beroep kan doen op velerlei andere bijstandsvoorzieningen) | |
Bekijk alle artikels van deze auteur |
|



Stichting Modus Vivendi (lid NVVK sinds 2007)