“Schuldhulpverlening en Gerechtsdeurwaarders zijn communicerende vaten” "Dè gerechtsdeurwaarder bestaat niet. Het beeld van dè Gerechtsdeurwaarder die, als een wat lompe man die in een slecht zittend pak op spekzolen, zijn werk doet en voor wie iedereen siddert, bestaat eenvoudig niet. Gerechtsdeurwaarders zijn van de bekende gerechtsbediende uitgegroeid tot een allround juridisch beroepsbeoefenaar die zich bezig houdt met het totale traject van invordering. Hierdoor heeft de schuldeiser voor het totale traject te maken met één en dezelfde gerechtsdeurwaarder. Dit heeft voor de opdrachtgever/schuldeiser duidelijke voordelen. Het ouderwetse beeld van de solitaire gerechtsdeurwaarder die, a la Dreverhaven, in een somber vervatte sfeertekening op pad gaat, bestaat niet meer, als het al bestaan heeft. Het bevredigt wellicht de behoefte van mensen aan heel duidelijke denkbeelden, bijna karikaturen, zodat de wereld in te delen is in “good guys” en “bad guys”. Met de werkelijkheid heeft het maar weinig te maken. De gedachte dat gerechtsdeurwaarders, schuldhulpverleners en rechters ook maar mensen zijn en allemaal nuances in hun dienstverlening en werkzaamheden aanbrengen, doet meer recht aan het beeld.
Evaluatie Recentelijk is er een rapport verschenen ter evaluatie van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders. De evaluatiecommissie die hiervoor verantwoordelijk was, brengt kritisch onder de aandacht dat binnen de gerechtsdeurwaarder met name de commercialisering wat is doorgeschoten. Bij een aantal van de aanbevelingen die zij heeft gedaan, kan ik mij inderdaad wel wat voorstellen. Hoewel we kritisch mogen zijn, moeten we wel bedenken dat de beroepsgroep bij introductie van de nieuwe Gerechtsdeurwaarderswet in 2001, een beetje op het verkeerde been is gezet. Toen de wet in werking trad, werd duidelijk aangegeven dat de KBvG een beperkte PBO (red: Publiekrechtelijke Beroeps-Organisatie) zou zijn en dat wij alleen maar regels mochten stellen die voor de beroepsuitoefening strikt noodzakelijk zouden zijn en de marktwerking niet mochten belemmeren. Het feit dat wij geen volwaardige PBO mochten zijn en alleen regels mochten stellen over permanente educatie en gedragsregels, heeft in de praktijk een aantal keren duidelijk gekneld. De ledenraad van de KBvG heeft zich regelmatig de vraag moeten stellen of bepaalde zaken nu wel of niet onder bevoegdheid van het KBvG vielen. In die zin zien wij het rapport van de evaluatiecommissie als een duidelijke oproep en steun in de rug. Het is voor ons ook erg belangrijk dat de staatssecretaris de aanbevelingen van de commissie zal overnemen. Geen beperkte PBO, volwaardig! De beroepsorganisatie heeft ook een aantal keren duidelijk die positie gezocht in het opstellen van klachten, gericht tegen deurwaarders die in onze ogen verkeerd functioneerden.
Norm De relatie tussen de beroepsorganisatie en de beroepsbeoefenaren verbetert. Er is een tijd geweest dat de leden de beroepsorganisatie toch erg lastig vonden met al die regels en bemoeizucht. Nu ziet men in zijn algemeenheid ook het belang in van een sterke PBO die zorgt dat de zaken goed geregeld worden, als tegenhanger van de commercialisering. Ook binnen de beroepsgroep wordt deze discussie heel fundamenteel gevoerd. Het is jammer dat de gerechtsdeurwaarder die een stap te ver doet, uitvergroot in beeld komt en daarmee het stereotype beeld bevestigt. Daar hebben schuldhulpverleners natuurlijk ook last van: als een gemeente de wachttijden laat oplopen tot meer dan een jaar, dan wordt dat direct in verband gebracht met de schuldhulpverlening en vraagt iedereen zich af: ”wat is daar mis”? Bij gerechtsdeurwaarders is dat niet anders.
Ministerieplicht Het vak van gerechtsdeurwaarder is een formalistisch-juridisch beroep. Gelijkertijd heeft de uitvoering van het vak ambachtelijke kenmerken in zich; de manier waarop het uitgevoerd wordt, de termijnen, de “toverformules”, het is allemaal sterk gereguleerd. Een goed voorbeeld daarvan is de ministerieplicht; als een schuldeiser wil dat er beslag gelegd wordt, dan moet een gerechtsdeurwaarder dat doen. Gerechtsdeurwaarders zelf zijn ook sterk geneigd te zeggen: “ik heb ministerieplicht dus ik voer dat uit. Punt”. De discussie die op dit moment losbrandt. is of, ook al bestaat er ministerieplicht, je als gerechtsdeurwaarder niet toch ook iets moet vìnden van uitvoering van die ministerieplicht op dat moment. Ik wil niet zover gaan, zoals de commissie doet, om te zeggen dat ik in bepaalde gevallen die ministerieplicht moet weigeren. Dat doet onvoldoende recht aan de positie van de gerechtsdeurwaarder, ook met betrekking tot zijn aansprakelijkheid. Tegelijkertijd denk ik wel dat het vak van gerechtsdeurwaarder in een dergelijk geval iets van die ministerieplicht moet vinden. Mooi voorbeeld daarvan is het meenemen van kinderspeelgoed in geval van een beslag. Als de schuldeiser dat wil dan ben ik volgens de wet verplicht als gerechtsdeurwaarder het speelgoed mee te nemen. Ik wil niet zover gaan als de evaluatiecommissie die zegt dat de gerechtsdeurwaarder dat dan niet zou moeten doen. Dat is volstrekt onjuist! Als de rechter iemand voorziet van een vonnis om beslag te mogen leggen, dan moet je niet helemaal aan het eind van dat traject de deurwaarder uitvoering van dat vonnis verwijten. De gerechtsdeurwaarder kan niet op de stoel van de wetgever of de rechter gaan zitten. Tegelijkertijd vind ik het wel goed als een gerechtsdeurwaarder die zulke dingen ziet gebeuren, hierover een discussie op gang brengt. Het is iets waar gerechtsdeurwaarders zich langzamerhand bewuster van worden en waarover de discussie ook binnen de beroepsbeoefenaren zeer fundamenteel gevoerd wordt. Je moet je daar als beroepsorganisatie wel wat terughoudend in opstellen omdat wat al jaren als waarheid is aanvaard, daarmee ook ter discussie komt! Klachten Je moet niet vergeten dat de gerechtsdeurwaarder niet zelden in een spagaat zit: als ik geen beslag leg, dan ben ik aansprakelijk, als ik onterecht beslag leg dan ben ik aansprakelijk, als ik op verkeerde wijze beslag leg ben ik ook aansprakelijk. Als hij bijvoorbeeld beslag legt op een aantal Rembrandts waarbij specifieke eisen van opslag en hantering gelden, dan is hij bij verkeerde uitvoer daarvan aansprakelijk. De deurwaarder mag dat ter plaatse in een split second beslissen en iedereen heeft, als het foutief gebeurt, achteraf de bureauwijsheid over hoe het had moeten gebeuren. Enerzijds is dat de aantrekkelijkheid van het beroep, anderzijds mag je van een deurwaarder niet verwachten dat hij ter plekke de strekking of bedoeling van een vonnis gaat bepalen of de bovenmatigheid van een boedel. Dan zet je wel de deur wagenwijd open. Dat kan je een deurwaarder niet aandoen, net zo min als je een deurwaarder kan aandoen een beslissing te moeten nemen als iemand zegt: deze spullen zijn niet van mij, maar van een ander. Dat kan een deurwaarder daar ter plaatse niet beoordelen. Het moment leent zich daar eenvoudigweg niet voor. Niettemin zie je een stijgende trend van executiegeschillen. De burger wordt ook daarin mondiger. Illustratief daarvoor is ook het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders. Er worden relatief veel klachten ingediend waarvan meer dan de helft door de Voorzitter al wordt afgedaan als kennelijk ongegrond. Van degenen die dan overblijven, resteren er dan uiteindelijk zeven à acht procent die gegrond zijn, waarvan vervolgens ook nog eens het overgrote deel niet tot enige maatregel leidt. De laagdrempeligheid, ook door het ontbreken van enig griffierecht, leidt daardoor toch tot veel opgestarte klachten. Ook de informatie asymmetrie, namelijk die tussen de professionele gerechtsdeurwaarder en de consumentenschuldenaar, die het ook niet allemaal precies weet, leidt tot veel procedures. Niet zelden is het contact met de gerechtsdeurwaarder het moment waarop de schuldenaar ook de terechtheid en de hoogte van het schuldbedrag te berde brengt. Weliswaar allemaal begrijpelijk, maar de deurwaarder moet zich daarin ook enigermate beschermen, immers de onafhankelijke rechter heeft gevonnist en dat is dan ook wat de schuldenaar van de gerechtsdeurwaarder gecommuniceerd krijgt.
Commercie Op dit moment staan deurwaarders onder grote druk door het systeem dat door de wetgever is gekozen, namelijk het volledig commercieel maken van de deurwaarderswerkzaamheden, althans een systeem waarin gerechtsdeurwaarders met elkaar concurreren voor de opdrachtgevers. Met name de grote opdrachtgevers hebben daarin een zeer machtige marktpositie. Dat is niet anders dan bijvoorbeeld Albert Heijn die een marktpositie heeft waarbij hij bij zijn leveranciers grotere kortingen kan bedingen of zelfs producten uit de schappen kan houden; dat is bij grote marktpartijen niet anders. Daarmee hoef je niet het principe ter discussie te stellen, maar je moet wel nadenken over hoe je daar mee omgaat, en hoe je daarvoor waarborgen inbouwt, zodanig dat een deurwaarder niet volledig kan worden gekraakt en de grote marktpartij zich een positie kan verwerven binnen een gerechtsdeurwaarderskantoor. Om die reden is het KBvG nu ook bezig richtlijnen op te stellen die een deurwaarder ertoe verplichten dat wanneer een opdrachtgever meer dan 2.5 % van de omzet vertegenwoordigt, de deurwaarder gehouden is maatregelen te nemen die zijn onafhankelijkheid waarborgen. De ledenraad heeft in december, dus nog voor het verschijnen van het evaluatierapport van de commissie, de richtlijn aangenomen. Deze zal ook in een verordening worden opgenomen, die regelt dat als iemand participeert in een deurwaarderskantoor, en zelf geen gerechtsdeurwaarder is, hij geen opdrachten mag verstrekken aan dat deurwaarderskantoor. Allemaal met als doel voldoende afstand te houden tussen deurwaarder en opdrachtgever. Uiteindelijk heeft tweederde meerderheid ingestemd met deze richtlijn. Het toont dat de beroepsgroep in staat is zichzelf beperkingen op te leggen. De ledenraad is toch ook een gebalanceerde samenstelling van grote en kleine kantoren waarbij de ene groep de andere groep niet kan overvleugelen. Daarnaast bespeur ik in de praktijk toch ook wel dat de grote kantoren zich bewust zijn van hun positie en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid te kijken voorbij het eigen belang. Zij realiseren zich dat zij negatief in de spotlights komen in geval van onverantwoorde standpunten of beroepsuitoefening.
Schuldhulpverlening en Gerechtsdeurwaarders Ik zie de schuldhulpverlening en de gerechtsdeurwaarders als communicerende vaten. Als de gerechtsdeurwaarder de druk niet zou uitoefenen, dan zouden veel schuldenaren niet ervaren dat zij een probleem hebben. Je ervaart pas een probleem op het moment dat het nijpend wordt. Het zal voor de schuldhulpverlening herkenbaar zijn dat dit erin resulteert dat mensen zich vaak bij de schuldhulpverlening melden met een brandende boedel. Als je niet oppast, leidt dit tot karikaturale belevingen van elkaars werkzaamheden. Veel schuldhulpverleners denken dat de gerechtsdeurwaarder alleen maar loonbeslagen uitvoert, veel deurwaarders denken dat schuldhulpverleners op sandalen en grijze wollen sokken rondlopen en enkel proberen te bewerkstelligen dat schuldenaren zo min mogelijk betalen. Beide karikaturen doen geen recht aan de werkelijkheid. Tegelijkertijd zitten wij elkaar natuurlijk in de haren vanwege de normale logistiek van behandelen. De gerechtsdeurwaarder krijgt een zaak, haalt een vonnis, legt met dat vonnis beslag, en ineens komt er een schuldhulpverlener die zegt: ”hé, stop eens even overal mee, ik wil graag even schuldhulp verlenen”. Andersom is er het beeld van de schuldhulpverlener, die is bezig alles in kaart te brengen, en ineens komt er een schuldeiser, die beslag laat leggen en de deurwaarder die het volledige zorgvuldig uitgestippelde pad doorkruist! Ja, dat ze soms gek worden van elkaar, begrijp ik dan wel. Dat is dan wel de aanleiding om te zorgen in een wat vroeger stadium met elkaar in contact te komen.
Communicatie In samenspraak met de heer Jaarsma, de voorzitter van de NVVK, hebben wij op dit moment bedacht dat het een heel bruikbaar systeem zou zijn als iedere schuldenaar die in de schuldhulpverlening zit bij deurwaarders bekend is. Simpel gezegd, ik krijg een dagvaarding en ik kijk niet alleen in het bevolkingsregister waar iemand woont, maar ik kijk ook even in het register van de NVVK of het misschien een actieve schuldhulpverlening betreft. En als ik dat dan zie, dan spreek ik af dat mijn uitgangspunt is dat ik de zaak stil leg en de opdrachtgever bericht dat hij goed moet opletten met het maken van kosten omdat betrokkene in de schuldhulpverlening zit. Daarnaast meld ik de vordering automatisch aan bij de schuldhulpverlening, waardoor deze zonder dat hij actie hoeft te ondernemen de juiste maatregelen kan treffen. Een dergelijk systeem heeft voor alle gebruikers alleen maar voordelen. In tegenstelling tot het LIS verwacht ik hierbij geen problemen met bijvoorbeeld het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). De gerechtsdeurwaarders zijn immers gehouden tot een professionele geheimhoudingsplicht ten aanzien van het gebruik van de persoonsgegevens en de schuldhulpverlener kan toestemming vragen aan de schuldenaar voor het gebruik in het nieuwe register. Dit register heeft dan weliswaar niet die preventieve werking die het LIS beoogt, maar het heeft wel de kostenreducerende werking waar de schuldenaar en natuurlijk de schuldeiser belang bij heeft. Voor hem heeft het natuurlijk geen enkele zin vonnis te gaan, rechters te belasten en deurwaarders uit te sturen, als er toch al een saneringstraject is ingezet. Dan voorspel ik dat iedereen bij dat systeem iets te winnen heeft. De schuldhulpverlener krijgt sneller de vordering binnen waardoor hij een totaal overzicht heeft. De schuldeiser door besparing van kosten op onnodige werkzaamheden en de gerechtsdeurwaarder doordat het voorkomt dat onnodige vonnissen gehaald hoeven te worden. Wij zijn daarin al in een vergevorderd stadium van overleg. Het nadeel van het LIS is dat het te complex is. Het systeem waarover wij in overleg zijn, zou een simpel systeem zijn waarin bijna “unattended” schuldhulpverlener en gerechtsdeurwaarders elkaar informeren. Op het moment dat een schuldhulpverlener in staat is zijn termijnen binnen een dergelijk systeem binnen aanvaardbare normen te houden, dan zal het draagvlak van een dergelijk systeem tussen schuldhulpverleners en gerechtsdeurwaarder natuurlijk ook breder worden.
Normering Om bovenstaande reden zijn wij vanzelfsprekend ook voor een genormeerde wijze van werken bij schuldhulpverleners. Wat ons betreft zullen zij dat ook wel moeten. Schuldhulpverlening heeft natuurlijk de sympathie van de wetgever en, zo zou je kunnen zeggen, van het volk Dit geldt in veel mindere mate voor de gerechtsdeurwaarder, maar tegelijkertijd moet je vaststellen dat een gerechtsdeurwaarder onontbeerlijk is voor een goede uitvoering van ons juridisch systeem. Als er geen mogelijkheid zou zijn vonnissen af te dwingen, dan is het chaos. Iedereen zal verdedigen dat, naast de schuldenaar zelf, ook verder ieder ander er baat bij heeft mensen in een hopeloze schuldensituatie te helpen. Echter op het moment dat dat op een onprofessionele wijze of op een heel trage wijze plaatsvindt, ja..., dan kun je niet meer serieus worden genomen. Wil je met recht kunnen zeggen: “Ik wil dat schuldeisers met de rechten die zij van de wet of van de rechter hebben gekregen buiten spel worden gezet”, dan zul je professioneel, gecontroleerd en genormeerd moeten optreden. Je zult dan het niveau van goedbedoelende, invoelende, maatschappelijk betrokken dienstverlener niet hoeven verlaten, maar je zult wel snel, adequaat en volgens professionele standaards moeten gaan werken. Dat wordt verwacht van de gerechtsdeurwaarders, dat wordt ook verwacht van de schuldhulpverlener! Bij het rapport van de evaluatiecommissie kunnen gerechtsdeurwaarders misschien ook wel zeggen: “zij snappen niet hoe het werkt in het veld”, maar je kan ook zeggen: “De kritiekpunten, daar zit wat in, wij kunnen daarmee onze kwaliteit verbeteren, wij gaan daarmee aan de slag!”. Dat mag bij de schuldhulpverlening ook wel eens. In die zin zijn wij hoopvol over de implementatie van de NEN-norm. Nogmaals, het feit dat je goed werk doet, betekent niet dat het van slechte kwaliteit mag zijn. Pas op dat je niet genegeerd wordt door de partijen waarmee je samenwerkt. Overigens is het feit dat wij niet in de NEN-normcommissie zitten, vooral terug te voeren op het feit dat wij buiten de deur zijn gehouden: Wij mochten meepraten, als wij mee zouden betalen. Dat is natuurlijk een merkwaardige voorwaarde geweest; hoe kunnen wij verantwoorden aan onze leden om geld dat afkomstig is van hun contributies in de waagschaal te stellen voor het opstellen van een norm over schuldhulpverlening? Ik zie een dergelijke uitwisseling ook niet snel ontstaan als bijvoorbeeld de gerechtsdeurwaarders een norm zouden moeten opstellen en aan de NVVK een bijdrage daarvoor zouden vragen. Controle Het onderdeel van de controles gedurende de schuldhulpverleningsperiode is voor ons overigens wel een belangrijk punt. Vertrouwen is goed, controle is beter! Geloof het niet of niet: een schuldeiser kijkt economisch. Is er nog geld te halen of moet ik het afschrijven? Pas als de schuldhulpverlener aan de schuldeiser het vertrouwen kan geven dat, binnen de gegeven situatie, het maximale gedaan is de schuldeiser zijn rechtens toekomend deel te doen toekomen, pas dan zal men het durven overgeven. Geeft de schuldhulpverlener aan dat hij dat niet zeker weet, ja... dan neemt de schuldeiser het heft in eigen handen. Spiegelbeeld Idealiter zijn de gerechtsdeurwaarder en de schuldhulpverlener elkaars spiegelbeeld: Beiden zitten er namens de schuldeiser èn de schuldenaar, alleen soms moet dat kwartje bij beide nog voldoende vallen. Ook voor gerechtsdeurwaarders kan dat natuurlijk een valkuil zijn. Het feit dat er een vonnis is, hoeft niet te betekenen dat er geen plausibel verhaal van de schuldenaar kan zijn dat poging tot uitvoering van het vonnis zinloos maakt. Op het moment dat gerechtsdeurwaarder en schuldhulpverlener samen in staat zouden zijn de niet-kùnners en de niet-wìllers van elkaar te onderscheiden, dan zou die gezamenlijkheid een heel krachtig middel kunnen zijn voor oplossing van schuldproblematiek. Dat begint met dialoog. Een greintje meer achterdocht bij de schuldhulp en een greintje meer invoelendheid bij de gerechtsdeurwaarder kan daarin altijd helpen. Tenslotte Als u mij vraagt naar een vuistregel die bruikbaar is binnen schuldhulpverlening dan ben ik geneigd te zeggen: “Schuldenaar, het is joùw probleem, dus jìj moet eraan werken. Zoek hulp waar het kan, maar onttrek je niet aan joùw probleem, want uiteindelijk moet je het zèlf doen”. Dat vind ik heel belangrijk. Als mensen bij wie ik kom als deurwaarder mij de melding geven: “Ja maar ik ben bij de Stadsbank”, dan is steevast mijn tegenvraag: “Controleert u ook of zij iets met uw dossier doen?” Ik zie die afschuiving als een grote valkuil. Hulpverlening betekent wat mij betreft dat er hulp is bìj de schuldenaar, en niet in de plaats vàn de schuldenaar."
|