| Taken van de bewindvoerder |
|
|
| donderdag 26 mei 2011 | |
|
De wet zegt het zo mooi: “..Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter, ….” (art. 431 BW). Een relatief recente discussie uit 2004 omtrent het kiesrecht bij onder curatele gestelden ontlokte de destijds minister van binnenlandse zaken Remkes de, enigszins geparafraseerde, uitspraak dat “…het streven erop is gericht, dat personen met een [……] beperking zoveel mogelijk doen wat ze in redelijkheid kunnen….” Curatele, bewind en mentorschap vallen onder dezelfde categorie wetgeving die beoogt de “personae miserabiles” te beschermen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat bij de uitvoering van het beschermingsbewind niet hetzelfde uitgangspunt genomen dient te worden als voor curatele, namelijk zoveel mogelijk (zelf) doen wat in redelijkheid kan. Wat dat dan in zijn algemeenheid voor werkzaamheden zijn verwoordde het LOK (Landelijk overleg Kantonrechters, tegenwoordig LOVCK) in de door haar opgestelde “Aanbevelingen meerderjarigenbewind”. Zij stelden daarin een lijst op, in de vorm van aanbevelingen, van enerzijds intake-werkzaamheden en anderzijds werkzaamheden tijdens bewind. Beide categorieën werden, ieder voor zich, daarnaast opgedeeld in gewone en bijzondere werkzaamheden. Daarbij is de, historisch wel te verklaren maar niettemin onfortuinlijke, woordkeuze in de titel van het woord “aanbeveling” overigens enigszins rekkelijk gebruikt. In de wet opgenomen taken en taakomschrijvingen, die feitelijk geen “aanbeveling” zijn maar een wettelijke taak, staan onbenoemd als zodanig, tussen de lijsten van werkzaamheden die zijn opgekomen uit het overleg binnen het LOK, welke werkzaamheden vanzelfsprekend niet die wetmatige status hebben. In de praktijk ontstaan hierdoor nog wel eens discussies tussen bewindvoerders en rechthebbenden (of vooral hun maatschappelijk begeleiders) over de uit te voeren taken van de bewindvoerder voor wat betreft welke taken “moeten”, welke “kunnen” en welke “mogen” worden uitgevoerd. Een helder voorbeeld voor wat betreft deze type discussies is de discussie over de belastingaangifte. De rechthebbende gaat er meestentijds vanuit dat zijn bewindvoerder de belastingaangifte “doet”, in de richtlijnen van het BPBI staat ook inderdaad dat de bewindvoerder de belastingaangifte “verzorgt”. Het LOK hanteert hiervoor de omschrijving dat de bewindvoerder de belastingaangifte “regelt” (zie blz. 11). Reguliere justitiabelen verstaan onder het doen van aangifte bij de belastingdienst (het “regelen” van de belastingaangifte) niet per se de verplichting zelf de formulieren in te vullen. Sterker, de belastingdienst faciliteert het, in samenspraak met de belastingdienst, doen van een aangifte bij hun zogeheten hulp- en informatiepunten. Daar zit dus nog wel enige nuance in ten aanzien hoe deze activiteit in de praktijk uitwerkt. Kan, mag of moet de rechthebbende wel of geen contact opnemen met de belastingdienst (in overleg en samenspraak met zijn bewindvoerder) voor het (laten) doen van belastingaangifte? Dit antwoord varieert vanzelfsprekend met de algehele maatschappelijke vaardigheden en toegankelijkheden van de rechthebbende. Dit soort discussies ontstaan op het snijvlak van de andere discussie die in de introductie is opgevoerd, namelijk wat is de doelstelling van het bewind? Wat beoogt de rechtbank met het bewind te bereiken? Deze vraag is niet zo eenduidig te beantwoorden als het lijkt. De reden voor het afgeven van de beschikking is weliswaar terug te voeren tot een eenduidige aanleiding, namelijk “het niet ten volle kunnen behartigen van zijn vermogensrechtelijke belangen..”. De op die vaststelling te nemen vervolgstappen blijven onbenoemd. Is het de taak van de bewindvoerder om te zorgen dat de rechthebbende op termijn wel weer zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen kan behartigen? Is het de taak van de bewindvoerder om, gedurende de periode van onvermogen, de belangen van de rechthebbende ten volle waar te nemen? Beide vragen resulteren in een wereld van verschil ten aanzien van de te verwachten taken van de bewindvoerder. De geconstateerde tekortkoming, namelijk die die leidt tot het niet ten volle waarnemen van vermogensrechtelijke belangen vereist in het eerste geval, aanvullend op wat zij zoveel mogelijk wel zelf kunnen, een inspanning van de bewindvoerder die de aanvulling tot ten volle realiseert. Kortom de bewindvoerder treedt niet ….in de plaats van…, maar aanvullend op de eigen mogelijkheden van degene wiens vermogen onder bewind is gesteld. In het tweede geval treedt de bewindvoerder ten volle op namens de rechthebbende. Ook binnen de WSNP, een relatief verbonden bewindsgebied, stellen het hof ten aanzien meerderjarigenbewind op het standpunt (althans op dit moment) “dat de schuldenaar te allen tijde zelf verantwoordelijk blijft voor het (toezien op het) betalen van de rekeningen”. ( zie de overwegingen van de rechtbank en het hof terzake de WSNP zoals gememoreerd in LJN BQ0715). Zoals bekend is op dit moment een aantal wijzigingen in voorbereiding ten aanzien van curatele, meerderjarigenbewind en mentorschap. Een onderdeel daarin betreft de opstelling van een apart kwaliteitsbesluit. Dit zal waarschijnlijk na deze zomer in internetconsultatie komen (K. Blankman, 2011; voordracht Spitsuurstudie 17 mei jl.). Het zal noodzakelijk zijn dat in dit kwaliteitsbesluit een dominante plaats zal worden ingeruimd (zij het in het besluit zelf of in de memorie van toelichting) voor de beoogde doelstelling van het beschermingsbewind. Ontbreken hiervan zal anders resulteren in ingediende “boodschappenlijstjes” van rechthebbenden of hun begeleiders bij de bewindvoerder vanwege de bestaande misconceptie dat als de bewindvoerder iets kán volgens kwaliteitsbesluiten het ook de verwachting is dat hij het in ieder dossier dóet. Stel dat we diezelfde redenering zouden introduceren in de tandheelkunde en zouden menen dat omdat een tandarts een brug kan vervaardigen hij ook verplicht zou zijn die bij iedere patiënt te plaatsen? Iedereen begrijpt dat dat niet aan de hand is en dat er ook zoiets bestaat als het stellen van een diagnose en indicatie ter bepaling van het feit of iemand ook echt een brug nodig heeft. Op gelijke wijze zal in het kwaliteitsbesluit hopelijk ook iets zijn opgenomen over de “diagnose” en “indicatie” rondom het meerderjarigenbewind. | |
Bekijk alle artikels van deze auteur |
|


