het verband tussen "gratis" en "voor niks"
Eén van de argumenten tegen het introduceren van de huidige NEN-norm schuldhulpverlening is de verondersteld hoge prijs voor het implementeren daarvan. Duidelijke rekenmodellen hiervoor ontbreken en heldere definities over welke kosten toegerekend worden aan de certificering en welke kosten gangbaar zijn voor het, op kwalitatief aanvaardbaar kennis- en organisatie-niveau, kunnen uitvoeren van schuldhulpverlening ontbreken eveneens. Onderstaand artikel tracht een aanzet te geven tot een mogelijk bruikbare verheldering. Schuldhulpverlener
Schuldhulpverlener is geen beschermde titel of beroep. Iedereen die zich schuldhulpverlener waant mag zich als zodanig benoemen en presenteren. Aantoonbare schuldhulpkwalificaties hoeven daarbij niet overlegd te worden. Met de toenemende afstand tussen gemeenten en NVVK, de traditionele leverancier voor schuldhulpexpertise en -opleiding aan gemeenten, is ook voor de gemeenten de noodzaak ontstaan een instrument te hebben om de kennis en kunde van zowel aanbestedende als eigen medewerkers te kunnen vaststellen middels een kwaliteitsinstrument. Eén van de doelstellingen van de NEN-normen was om dat noodzakelijke instrument te kunnen geven met een handvat voor de kennis en werkwijze van de schuldhulpverlener(s)(organisatie). Zowel voor de “afnemer” (i.e. Schuldenaar) als de daarmee communicerende satellietpartijen (i.e. Gemeente, werkgever, diakonie, maatschappelijke organisatie, crediteuren, etc.) is, zo werd gedacht, daarmee een mogelijkheid gegeven te bepalen of de zelfverklaarde schuldhulpverlener ook inderdaad een zekere (basis-)kennis van zaken heeft op het gebied van schuldenproblematiek. Schuldhulporganisatie
Naast de kennis en kunde van de schuldhulpverlener is er, wederom niet in de laatste plaats voor de schuldenaar zelf, de noodzaak de organisatorische kwaliteit van de schuldhulporganisatie te kunnen verifiëren. Niets zou zo fnuikend zijn, ook voor het vertrouwen van de schuldenaar, als de constatering dat tijdens het verblijf in een schuldhulpverleningstraject termijnen, kwaliteit van uitvoering etc. volgens niet verifieerbare normen verloopt. Een dergelijke constatering vindt immers plaats middels de melding van bijvoorbeeld een hervatting van incasso-procedures waaronder begrepen loonbeslagen, huisuitzettingen en verder praktisch ongerief. De kosten voor certificatie van een schuldhulporganisatie verschillen vanzelfsprekend van de kosten voor certificatie van een schuldhulpverlener. Het rekenmodel
In de discussie over de kosten valt te wijzen op een grote omvang aan kosten. Deze kosten kunnen verdeeld worden in directe kosten zoals de examenkosten en de opleidingskosten, en de indirecte kosten zoals het beheer van het administratieve systeem en de tijd dat medewerkers bezig zijn met het beheer en/of opleiding. Teneinde de precieze kosten van het (laten) certificeren van een organisatie in kaart te brengen is een eenvoudige inventarisatie gemaakt van de directe kosten voor het certificeren van een schuldhulpverlener en een organisatie. Voor de kosten is verondersteld dat het kosten betreft voor een rudimentaire organisatie-certificering. Deze verondersteld wel dat aan een belangrijke voorwaarde voor de certificering van organisatie is voldaan, namelijk dat eveneens alle personen zijn gecertificeerd. Deze kosten zijn vervolgens in een eenvoudige spreadsheet geplaatst met daarin twee variabelen: het aantal medewerkers en de schuldhulpaktiviteit. De spreadsheet van deze berekening kunt u hier downloaden. Door het invullen van de medewerkers en het aanvinken van de aktiviteit komt onderaan het rekenmodel de kosten per jaar te staan voor de te certificeren organisatie. Het is belangrijk te realiseren dat dit dus alleen de directe kosten voor certificering betreft (de opleidingskosten zijn daarin niet opgenomen!) Voor een organisatie geldt dat in de aanloop naar certificering binnen een termijn van 3 jaar alle medewerkers dienen te zijn gecertificeerd. Daarbij is vervolgens de geldigheid van het certificaat voor een organisatie 3 jaar met daarbij een jaarlijkse tussentijdse toets. Voor een professionele schuldhulpverlener is de geldigheid van het certificaat 5 jaar zonder tussentijdse toets. Daarnaast is het een NEN-vereiste dat medewerkers die inhoudelijk met schuldenaren over de schuldhulpverlening communiceren eveneens gehouden zijn de basis-module A te voltooien. Bij het opstellen van de spreadsheet is verondersteld dat de kosten voor visitatie van een organisatie op ca. € 1500,00 liggen en de kosten van de jaarlijkse hervisitatie op ca. € 500,00 (Dit is een conservatieve schatting van de kosten; het is niet uit te sluiten dat de kosten hoger (tot ca. € 3000,00) liggen in verband met het feit dat de visitatie mogelijk meerdere mandagen beslaat) vijf scenario's
Bij het berekenen van de kosten zijn in principe vier scenario's mogelijk, namelijk budgetcoaching, herfinanciering, budgetbeheer, schuldbemiddeling en een combinatie van deze laatste twee wat gemakshalve als integrale schuldbemiddeling is aangeduid. Daarmee wordt niet bedoeld integraal in de klassieke betekenis van het woord zoals dat door het Landelijk Platform Schuldhulpverlening is geïntroduceerd maar integraal als in de combinatie van het treffen van een regeling (schuldbemiddeling) en het nakomen daarvan (budgetbeheer). Invullen van de variabelen zoals in de spreadsheet aangegeven zou daarbij voor een kleine organisatie tot kosten voor certificering leiden als volgt:
| Werkzaamheden | Samenstelling medewerkers | Certificeringskosten NEN per jaar | | Herfinanciering | 3 medewerkers; 2 support | € 1.929,33 | | Schuldbemiddeling | 3 medewerkers; 2 support | € 2.115,33 | | Budgetbeheer | 3 medewerkers; 2 support | € 1.929,33 | | Schuldbemiddeling + budgetbeheer | 3 medewerkers; 2 support | € 2.948,67 | | Budgetcoaching | 3 medewerkers | € 1.805,33 | Tabel I : Type werkzaamheid in de schuldhulp met (verondersteld) gemiddelde samenstelling van medewerkers. Indirecte kosten
De bovenstaande kosten kunnen zwaar wegen op een organisatie. Daarbij kan bovendien, terecht, aangevoerd worden dat ook het op voldoende niveau houden van de organisatie en medewerkers belangrijke en waarschijnlijk zelfs hogere kosten zijn binnen het hele certificeringstraject. Deze indirecte kosten die zijn terug te voeren op administatieve, organisatorische en personeelskosten, zijn eveneens doorlopende, ieder jaar terugkerende kosten. Deze leggen ook een grote druk op een organisatie omdat een organisatie het zich niet kunnen veroorloven, eenmaal begonnen aan een certificeringstraject, het certificaat kwijt te raken. Die schade aan de naam en reputatie zal groter zijn dan het eenvoudigweg niet deelnemen aan de NEN-certificering. Deze kosten zijn niettemin moeilijker in beeld te brengen.
Welke kosten zitten niet in de kosten van de NEN-certificering?
Op dit moment zijn de grootste kosten die een schuldhulporganisatie maakt de kosten voor opleiding van de medewerkers en schuldhulpverleners. Deze kosten zijn te benoemen als directe kosten. Het, middels opleiding, op kennis-niveau brengen en hoùden van medewerkers zijn feitelijk de grootste kosten die een organisatie maakt. Toch staan deze kosten los van de kosten van certificering! Immers, geen enkele organisatie kan het zich veroorloven, althans zou het niet moeten willen, onopgeleide medewerkers in contact te laten treden met schuldhulpverleningsactiviteiten. Weliswaar bespaart men dan de substantiële opleidingsuitgaven, maar de schuldhulpverlening die men verleent zal zelden van een afdoend niveau zijn. Terecht is bij dergelijke organisaties, doch dat zullen er hopelijk weinig zijn, de kritische vraag te stellen: “Was u van plan de medewerker, of er nu wel of geen sprake is van NEN-certificering, zonder opleiding schuldhulp te laten verrichten?”. Discussie
NEN-certificering is niet goedkoop, maar wel noodzakelijk. De opzet zoals die nu is gekozen, los van de inhoud van de NEN-norm, zal veel vergen van een organisatie. Daar zijn de meeste partijen die met de praktische uitvoering van schuldhulpverlening te maken hebben, het met elkaar ook wel over eens. Daardoor staan veel organisaties in dubio over de implementatie. Aanpassing van de opzet, bijvoorbeeld door de certificering van schuldhulpverleners, die nu als voorwaarde geldt om als organisatie gecertificeerd te kunnen zijn, niet automatisch randvoorwaardelijk te laten zijn voor certificering zou daarbij bijvoorbeeld al kunnen helpen. Het enkele feit dat zichzelf serieus nemende schuldhulporganisaties naar buiten toe transparant willen zijn over hun kwaliteit en hun werkwijze maakt niet automatisch dat zij daarvoor ook de hoogste prijs willen en/of kunnen betalen. Ook zal, zolang de partijen in het veld die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van schuldhulpverlening, zij het middels aanbesteding of “in-house”, de NEN-norm niet als randvoorwaarde zien voor kwalitatief hoogwaardige schuldhulpverlening, nauwelijks incentive zijn voor organisaties zich te laten certificeren. Toch is, en blijft, het de ambitie vanuit de professionele schuldhulpverlening om tot een vorm van kwaliteitsstandaard te komen (los van allerlei inhoudelijke discussies over onderdelen daarin). Daarmee valt hopelijk te voorkomen dat “plant-een-bord-in-de-tuin”-schuldhulpverleners, tot schade van de schuldenaar, vrij spel kan krijgen voor hun onkunde. Gratis zal de certificering nooit worden; toch is het te hopen dat de neergelegde kwaliteitsstandaard op een of andere wijze haar ingang zal vinden. Al is het maar om te voorkomen dat schuldenaren geholpen worden door zelf-verklaarde schuldhulpverleners waardoor het traject dat de schuldenaren doorliepen voor niks dreigt te zullen zijn geweest!
|