De sluier van onwetendheid Afdrukken E-mail
maandag 22 november 2010

Zo'n veertig jaar geleden beschreef John Rawls zijn gedachte-experiment van de “sluier van onwetendheid” (Veil of ignorance). Dit experiment was ontworpen om tot een beschrijving van het begrip van rechtvaardigheid te komen. Het bestond hierin dat als mensen rechtvaardigheid in een maatschappij moesten omschrijven dat zij dit zouden moeten doen vanuit een onbekendheid met de positie die zij in die maatschappij innemen. Stel nu dat u, volgens een gelijksoortig gedachte-experiment, een beschrijving zou moeten geven van schuldhulpverlening eveneens zonder dat u wist welke positie u zou innemen in de keten van de schuldhulpverlening; u zou dus van tevoren niet weten of het op u van toepassing is in de hoedanigheid van schuldeiser, schuldenaar, schuldhulpverlener of andere derde. Hoe zou die schuldhulpverlening er dan, volgens de redelijke redenering die van u als persoon verwacht mag worden, uit moeten zien?

Het gedachte-experiment: “De sluier van onwetendheid”
Het gedachte-experiment van Rawls bestaat hieruit dat zij tracht, vanuit wat Rawls noemt de “oorspronkelijke positie”, te komen tot een billijke procedure “opdat ieder overeengekomen beginsel rechtvaardig zal zijn”. Wat hij uiteindelijk beoogde was te komen tot een beschrijving van een rechtvaardige samenleving. Rawls vertrekt daarbij vanuit een tweetal rechtvaardigheidsbeginselen. Het eerste rechtvaardigheidsbeginsel omschrijft hij als het beginsel van grootste gelijke vrijheid (“equal liberty principal”). Het tweede rechtvaardigheidsbeginsel stelt dat in geval van ongelijkheid dit moet voldoen aan twee voorwaarden: enerzijds de voorwaarde dat voldaan moet zijn aan het beginsel van (billijke) gelijkheid van kansen (“fair equality of opportunity”), anderzijds dat voldaan moet zijn aan het verschilbeginsel (“difference principle”) waarbij bestaande ongelijkheid tot voordeel moet strekken van iedereen en in het bijzonder van de minder bedeelden.
Vanuit deze twee rechtvaardigheidsbeginselen definieert hij het experiment dat bedoeld is als billijke procedure zodat, als gezegd, ieder daaruit overeengekomen beginsel rechtvaardig zal zijn. De reden van deze, zorgvuldig omschreven, randvoorwaarden is dat voorkomen moet worden dat mensen “vanuit een welbegrepen eigenbelang” ertoe verleid kunnen worden sociale en natuurlijke omstandigheden in hun eigen voordeel te benutten bij het omschrijven van rechtvaardigheid. Om die reden is het nodig dat bij het definiëren van rechtvaardigheid mensen niet bekend zijn met hun positie in de samenleving waarin de door hen gedefinieerde rechtvaardigheid van toepassing is. Die onbekendheid met hun positie heet “de sluier van onwetendheid” (“The veil of ignorance”).
Sterk gesimplificeerd zou bovenstaande in praktische zin geparafraseerd kunnen worden als het experiment waarbij een taart eerlijk in tweeën gedeeld moet worden tussen twee personen met dien verstande dat de ene persoon de taart mag snijden en dat de andere persoon als eerste een helft  van de doorgesneden taart mag kiezen. Degene die de taart snijdt zal met uitermate grote precisie trachten de exact juiste middellijn te snijden teneinde zichzelf niet te benadelen en de ander niet te bevoordelen. Ook daar weet degene die de taart snijdt namelijk niet welke zijn positie zal zijn, i.e. welke taarthelft de andere persoon zal kiezen; hij is dus gebaat bij een zorgvuldige en juiste (lees: rechtvaardige) taartverdeling. Vanzelfsprekend verdiept zich dit experiment in geval van het concept van rechtvaardigheid aanzienlijk ten opzichte van het eenvoudige doorsnijden van een taart.

Schuldenproblematiek als rechtvaardigheidsprobleem
Ook schuldenproblematiek raakt aan de (mate van) rechtvaardigheid van een samenleving. Omgang met en oplossingen voor schuldenproblematiek definiëren in zekere, en misschien wel overwegende, mate de graad van beschaving, maar ook de graad van rechtvaardigheid, die een samenleving kan hebben. Schuldenproblematiek kenmerkt zich door een weerloze en afhankelijke positie van de één (de schuldenaar) ten opzichte van de beschikkende positie van de ander (de crediteur). Schuldenproblematiek in het Nederlandse heeft altijd aandacht van sociale geledingen in allerlei gedaanten (van armenzorg en charitas tot vergaande overheidsbemoeienis) welke zich kenmerk(t)en door een quasi-dualistische of quasi-dichotome benadering van de problematiek, namelijk het “dispuut” tussen crediteur en debiteur. Alle andere partijen die betrokken zijn in de problematiek participeren (op afstand) als verbonden met één van de twee partijen. Dit heeft het nadenken over wat schuldenproblematiek ís en wat rechtvaardige oplossingen zíjn altijd bemoeilijkt. Daaruit voortvloeiend worden discussies op voorhand bemoeilijkt door wat aangeduid zou kunnen worden als zogeheten contingenties, dat wil zeggen eigenschappen die niet hoeven te zijn zoals ze zijn en even goed anders hadden kunnen zijn. Als voorbeeld hiervan is de termijn van 36 maanden het meest sprekend. Evengoed had deze termijn 17 maanden kunnen zijn of 43 maanden. Het veld van de schuldenproblematiek heeft meerdere van dergelijke contingenties zoals (mate van) informatieplicht, hoogte van afdracht, VTLB-berekeningen en nog vele andere, in de praktijk functionerende, praktische standpunten. Ook minder praktische contingenties zijn te bedenken zoals bijvoorbeeld de natuurlijke verbintenis.
In toenemende mate bemoeilijken zij de mogelijkheid om na te denken over wat feitelijk juiste schuldhulpverlening is of zou moeten zijn en dat is een probleem dat de ontwikkeling van de oplossing van schuldenproblematiek bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Daarbij moet wel bedacht worden dat schuldenproblematiek eigenschappen heeft die het bemoeilijken om na te denken over rechtvaardige oplossingen. Het is niet voor niets dat Rawls voor sparen (de voor individuen positieve vorm van schulden) binnen het gedachte-experiment een extra randvoorwaarde moest toevoegen, namelijk dat iedereen altijd gedwongen is voor allen te kiezen, inclusief de toekomstige generaties.

De sluier van onwetendheid voor het veld van de schuldenproblematiek
Het experiment van de sluier van onwetendheid toegepast op het veld van de schuldenproblematiek is een interessante excercitie:”Formuleert u rechtvaardige schuldhulpverlening voor een samenleving waarin u moet leven terwijl u niet weet of u daarin leeft als schuldenaar, als schuldeiser of als andere betrokkene?”
Het is duidelijk dat deze excercitie, anders dan in zeer rudimentaire vorm (zie ook de motie Biesheuvel (1989) als representante van een rechtvaardige(r) gedachte, namelijk eindigheid aan schulden, dan de destijds bestaande), niet, of onvoldoende, heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de ontwikkeling van de hele schuldhulpverleningsindustrie die de afgelopen jaren is ontstaan. Het heeft mijns inziens zin dat alsnog te doen.


1. J. Rawls; “Theory of Justice (Revised Edtion,1999)”; Harvard University Press, 1999 (Oorspronkelijke editie Harvard University Press, 1971)


I.P. Van Rossen
Over de auteur:

Directeur van Modus Vivendi Wettelijk Traject B.V.

Sinds 1995 actief binnen schuldhulpverlening in minnelijk en wettelijk traject.

 
Advertisement
Template creation and website implementation by One-Company Interactieve Communicatie, Industrieweg 18, 4051 BW Ochten, Nederland. Telefoon: 0344-641040