een licht-rechtssociologische kijk op schuldenproblematiek
Inleiding
De maatschappij groeit. Dat gebeurt niet vanzelf en dat gebeurt niet zonder gevolgen; bronnen worden aangeboord en “dingen” veranderen. Eén van de bronnen die wordt aangeboord is de bron arbeid. Waar het vroeger zo was dat mensen eerst werkten, daarvan spaarden en dan kochten, is het gaandeweg een proces geworden waarin mensen eerst kopen en toezeggen daarvoor te zullen werken. Het sparen kan dan achterwege blijven. Ten principale verandert er door deze gewijzigde benadering niets aan de manier waarop mensen met geld omgaan en de manier waarop mensen hun afspraken nakomen. Het adagium “een man, een man; een woord, een woord” blijft ook binnen zo'n veranderde afspraak pal overeind staan. Toch is er wel iéts verandert.
Lenen
Geld dat gespaard is strekt tot zekerheid van voldoening en/of nakoming van de afspraak bij koop: “ik betaal jou nu, als jij mij nu deze televisie levert” (Gelijk oversteken). Deze zekerheid ontbreekt bij arbeid die nog geleverd moet worden. De mens, althans zijn handelingen, is een sociaal goed dat onderhevig is aan sociale en biologische processen die in de weg kunnen staan van de toezegging van het leveren van arbeid. Mensen kunnen ziek worden, werkeloos worden en tegenslagen tegenkomen die allemaal kunnen leiden tot verhindering van het nakomen van hun toegezegde arbeidsinspanningen. Hoe hoger de incidentie van het aantal afgesloten leningen, des te groter is het aantal leningen dat niet terugbetaald kan worden als gevolg van bovengenoemde factoren. Dat is een risico dat is ontstaan in de huidige kredietmaatschappij.
Risico
Lange tijd koos de maatschappij ervoor mensen zelfstandig het risico van deze ontwikkeling te laten dragen: “Als je niet kan betalen is dat jouw risico, jij staat in met je hele vermogen voor al je schulden voor de duur van jouw leven.” Gelukkig voor schuldeisers veranderde de (betaal-)moraal rondom het (kunnen) nakomen van deze verplichtingen niet wezenlijk. Hierdoor bleef de sociale en economische acceptatie van schulden onveranderd laag en bleef er een taboe rusten op schulden. Dit heeft ertoe geleid dat de bespreekbaarheid van schulden heel lang op zich heeft laten wachten en nog altijd zien mensen schulden als iets om je voor te schamen en als iets dat voorkomt bij sociale dienst-”klanten”; Vinex locaties kennen geen schulden! Dat leidde ertoe dat schuldenaren anderen, zoals de NVVK, het Nibud en sociale diensten, nodig hadden om als spreekbuis voor hun problematiek te functioneren. Het zijn dan ook met name deze partijen, naast maatschappelijke organisaties en kerken, die de schuldenproblematiek op de agenda zetten en hielden.
Incasseren of...?
Voor de crediteuren is dat anders. Met het toenemende aantal oninbare debiteuren constateerden zij een toenemende onmogelijkheid om kosten-effectief te kunnen incasseren. Het geld was er eenvoudigweg niet! Afschrijven was geen optie vanwege het signaal dat daarvan uitging (namelijk dat als je lang genoeg niet betaald, de crediteur vanzelf ophoudt met incasseren). De behoefte om de dossiers uiteindelijk te kunnen sluiten, zonder verder nodeloze kosten te maken, was echter wel aanwezig. Crediteuren bevonden zich echter in een catch-22 met de overige crediteuren; opgeven van hun vordering zou de noodzaak voor de overige crediteuren wegnemen om ook af te zien van hun vordering; ze kregen nu immers meer! De mogelijkheid voor de crediteur om bij te dragen aan schuldoplossing voor de schuldenaar bleef daarom onmogelijk.
Eindigheid
Onder dit gesternte ontstond het besef dat mensen de bestaande financiële constructies van de oplopende (boete-)kosten en cumulatieve rente onmogelijk ooit konden voldoen en de facto veroordeeld waren tot een leven lang aflossen op een onaflosbare schuld, terwijl de crediteuren met goed fatsoen niet konden overgaan tot afboeken. Het was uiteindelijk de politiek die noodzakelijk was, middels het amendement Biesheuvel (1989), om deze catch-22 te doorbreken. Zicht op eindigheid van schulden bleek uiteindelijk bij alle partijen een gewenste afloop van de bovenbeschreven problematiek. Maar hoe ga je dat aanpakken?
Buro-politiek
Er moest in ieder geval één departement zijn dat de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen en dat zich verantwoordelijk wilde stellen voor het systeem. Dit lag niet direct op het pad van EZ. Zij was feitelijk alleen betrokken bij de schuldenproblematiek omdat met de groeiende schuldenproblematiek er een groeiend aantal schuldhulpburo's ontstonden. Schuldbemiddeling was bij wet verboden (art. 47 WcK) en handhaving van dat artikel lag bij de Economische Controle Dienst (ECD). Kortom, EZ had er alleen maar last van. Toch voelde zij zich, vanwege haar visie op schuldenproblematiek, wel betrokken door het feit dat er een wetsontwerp op de plank lag bij Justitie, de zogeheten Wet Beslag op Loon en Uitkering (WBLEU). EZ zag dat diverse juridische en sociale overwegingen bij het wetsontwerp van Justitie onvoldoende waren meegenomen maar wel doorwerkten op dat beleid (N. Huls, "Actie en Reactie", blz. 355). Financiën vanuit haar verantwoordelijkheden zag een toenemend sentiment ontstaan over de noodzaak van kwijtschelding van belastingschulden. Uiteindelijk gaf zij haar pogingen om vast te houden aan 100% voldoening op en rechtvaardigde zij deze overgave voor haarzelf door de constatering dat in de grote loop der dingen de uiteindelijk onbetaald blijvende schuldensom zeer gering is.
Justitie wilde eigenlijk ook geen regie voeren. De overwegend rechtspositivistische kijk op de faillissementswet, in plaats van een ideële kijk op wat met wetgeving gerealiseerd kon worden, verhinderde lange tijd de totstandkoming van een voor de partijen in het veld aansprekend wetsontwerp. Hierdoor was het wetsontwerp een speelbal tussen maatschappelijke organisaties, de uitvoerende rechterlijke macht en de standpunten van het politieke krachtenveld. Niet onvermeld mag daarbij blijven de inspanningen die het (destijds RPF) Tweede Kamerlid van Dijke verrichtte om de schuldbemiddeling uit het (monopole) domein van gemeenten te krijgen. Dat heeft in ieder geval bij de tradiotionele uitvoerders van de schuldhulpverlening de (uiteindelijk illusoir gebleken) noodzaak gegeven om kwaliteit en voortgang te leveren. Voor SZW was de benadering van dit “varkentje” dat gewassen moest worden toch met name een traditionele benadering waar eigenlijk geen behoefte bestond aan een heel technisch-juridische oplossing omdat dat voor het maatschappelijk veld waar zij mee te maken had, geen werkelijke oplossingen van allerhande, met schuldenproblematiek gepaard gaande, problemen zou geven. Het heeft uiteindelijk ook tot 2008(!) geduurd voordat SZW zich officieel als systeemverantwoordelijke opwierp. Wellicht contrecoeur?
Het resultaat
Al met al heeft de groei van de kredietmarkt zich de afgelopen twintig jaar aanzienlijk sneller ontwikkeld dan het ontwikkelen van de oplossing van de met de kredietmarkt gepaard gaande problemen. Nog altijd gaan wij met z'n allen ongemakkelijk om met schulden. Wellicht dat een daarvoor benodigde verzakelijkte kijk op schulden, los van de moraliteit, de komende tien jaar alsnog een effectieve “schwung” kan geven aan het oplossen van wat óók een boekhoud-probleem is. In de huidige risico-maatschappij, waar wij alle risico's zoveel mogelijk delen met zoveel mogelijk mensen, is het toch geen hele vreemde gedachte dat ook de risico's die gepaard gaan met het kunnen lenen zoveel mogelijk gedeeld worden verdeeld over zoveel mogelijk schouders en de moraliteit van onbetaalde schulden een andere, meer zakelijke, lading gaat krijgen waardoor toegang tot en omgang met (bijvoorbeeld) WSNP makkelijker verloopt. De tijd lijkt rijp voor de mogelijkheid van het kunnen afsluiten van een verzekering die consumenten beschermt tegen onbetaalbare schulden: "een schuldhulpverzekering". Daarmee zou ook de schuldenproblematiek definitief zijn doorgedrongen tot het domein van de risico-maatschappij waar wij momenteel met zijn allen deel van uitmaken! Wellicht dat daarmee ook een, voor de beroepsgroep schuldhulpverlening, noodzakelijke ontworsteling aan de departementale belangen, interesses en discussies dan ook zal kunnen plaatsvinden.
1. Motie Biesheuvel. Kamerstuknr. 17897 nr. 19, vergaderjaar 1988-1989
2. Huls, N., "Actie en Reactie, een inleiding in de rechtssociologie", Den Haag: Boom Juridische Boeken (2e druk) 2010, p. 347-365.