| Betalingsonmacht vs (zorg)verzekeringspremie |
|
|
| woensdag 01 oktober 2008 | |
|
Op 1 januari 2006 is de nieuwe Zorgverzekeringswet geïntroduceerd. De regering ging er destijds nog vanuit dat iedereen deze premie ook daadwerkelijk zou betalen. De gedachte daarbij was dat voor iedereen de premie op te brengen was. Mocht men door omstandigheden onverhoopt niet de gehele premie kunnen betalen dan zou middels allerlei (subsidiabele) maatregelen de verzekerde een “toeslag” op de premie krijgen. Ofschoon de ideeën van de toeslagen in theorie “ zuiver waren “ had het volgens schrijven dezes van een wijs beleid getuigd wanneer, alvorens tot invoering van de Zorgverzekeringswet over te gaan, men bij de toentertijd bestaande Zorgverzekeringen advies had ingewonnen hoe het betalingsgedrag van de Ziekenfondsverzekerden Los van het (verontrustend) hoge aantal wanbetalers, zou de regering inzicht hebben gekregen in de methodes van incasseren en in welke resultaten met betrekking tot het incasseren geboekt werden. Eigen ervaringen had de overheid met deze problematiek niet, aangezien haar ambtenaren niets met de (oude) Ziekenfondswet van doen hadden, immers het merendeel van de ambtenaren had een eigen ziektekostenverzekering, een verzekering die in de verste verte niet met de Ziekenfondswet vergeleken kon worden! De invoering van de (Ziekenfonds)wet in 1965 was al een vrij ingewikkelde kwestie vanwege het feit dat vele andere sociale wetten destijds aan deze wet waren gekoppeld. Met de huidige, nog complexere wet- en regelgeving, zo is het vermoeden, zal te zijner tijd ook deze nieuwe Wet, wanneer zij tegen het “ maatschappelijk daglicht “ wordt gehouden, enige fronsende wenkbrauwen veroorzaken. De zorgverzekeraars zijn in de uitvoering opgelopen tegen het feit dat bij het ontwerpen van de Zorgverzekeringswet onvoldoende rekening is gehouden met de problematiek van betalingsachterstanden in de zorgpremie, anders dan verwoording van de sancties bij gebreke van voldoening van de premie. Het is overigens ook een onderwerp dat in de memorie van toelichting niet voorkomt. Ondanks de bevoegdheid van zorgverzekeraars om op grond van artikel 15 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), buiten de (kanton)rechter om het recht van “ parate executie “ toe te passen opdat tot een vrij “gemakkelijke” wijze van het incasseren –of verrekenen kan worden overgegaan, is de staande praktijk op dit moment zo dat zorgverzekeraars de vorderingen uit handen geven aan gerechtsdeurwaarders en incassobureaus. De aan deze opdrachten inherent zijnde hoge tot zeer hoge incassokosten maken dat voor individuele schuldenaren de kosten al snel “de pan uitrijzen “! Het CDA, bij monde van mevrouw H(annie) van Leeuwen (Eerste Kamer) meldde bij de introductie van de Zorgverzekeringswet dat zij “ blij “ was dat nu iedereen onder het nieuwe Zorgstelsel viel. Wetenschap, met de kennis van nu, van de problematiek van achterstanden zou vermoedelijk de vreugde enigszins getemperd hebben. De balans van de Zorgverzekeringswet na bijna twee jaar vraagt, vanuit het standpunt van schuldenproblematiek en betalingsachterstanden, aandacht voor een aantal zaken:
Deze opsomming kan ongetwijfeld nog uitgebreid worden met vele andere, betalingsachterstand gerelateerde, problematiek. Zoals bijvoorbeeld de bestuurlijke boetes van 30% en de voor sommigen daarmee gerelateerde (bijna) onmogelijkheid van herstel.
Het is belangrijk dat bovenstaande punten aandacht krijgen bij evaluatie van de Zorgverzekeringswet. Volgens de slotbepalingen in Hoofdstuk 12 van de Zorgverzekeringswet zal binnen vijf jaar na introductie een verslag van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet naar de Tweede Kamer gestuurd worden. Het zou jammer zijn als de lange historie die Nederland heeft in de kwaliteit van haar solidariteitswetgeving, waar de ziektekostenverzekeringwetgeving onder valt, juist op dat onderdeel minpunten zou scoren.
| |
Bekijk alle artikels van deze auteur |
|


