Introductie Op 5 augustus 2008 maakten de rechtbanken Groningen en Assen het feit bekend dat zij eind juni de melding kregen dat onrechtmatig geld vanaf boedelrekeningen in schuldsaneringszaken (d.w.z. WSNP-rekeningen (red.)) was overgemaakt naar het buitenland. Deze melding is een triest dieptepunt in een reeks van meldingen de afgelopen jaren over stichtingen, organisaties en personen die het aanzien van de schuldhulpverlening en bewindvoering ernstig schaadden. In onze maatschappij komt het steeds vaker voor dat personen of organisaties het geld van anderen beheren. Daar is op zich niets op tegen; het is wat banken dagelijks doen! Probleem is echter dat de combinatie van mensen en geld slecht samen gaan. Met de toenemende uitbesteding van beheer is er tegelijkertijd een toenemende behoefte en noodzaak voor toezicht. In dit artikel wordt, na een kleine vogelvlucht, een bespreking gevoerd over oorzaken en oplossingen van deze (eeuwenoude) problematiek.
Historie
Het moet geconstateerd worden dat binnen de schuldhulpverlening met enige regelmaat in de pers berichten verschijnen over omgevallen organisaties en “verdwenen” gelden. Een kort overzicht:
De oorzaak voor de stopzetting heeft in ieder van deze organisaties een andere oorsprong. Dit varieert van een verliesgevende organisatie (zoals bijvoorbeeld insolventiedossier F.07/363 Arrondissement Amsterdam ( STIB)), mogelijke fouten in het toezicht door betrokkenen (zie verslag curator: BDG Kleingeld) tot verdenking van fraude (zie: FP Magazine, pag. 10: Stichting SchuldenVrij Leven).
Oorzaken Globaal zijn de oorzaken van de problemen waarin organisaties zoals de bovenstaande verzeild zijn geraakt in te delen in drie categorieën: De eerste categorie is economische tegenslag. Op dezelfde wijze als voor iedere rechtspersoon die zich in het economisch verkeer begeeft zich financiële problemen kunnen voordoen, kan ook voor organisaties die zich bemoeien met schuldhulpverlening en bewindvoering economische tegenslag zich voordoen. Dit kan zijn als gevolg van factoren buiten hun invloedssfeer. Een actueel voorbeeld daarvan is het feit dat in 2008 het aantal schuldsaneringsregelingen in vergelijking met 2007 met meer dan 35% (!) is gedaald (bron: bureau WSNP). Het is duidelijk dat een dergelijke daling, op dezelfde wijze als dat bij bijvoorbeeld in de auto-industrie op dit moment aan de hand is, repercussies heeft op de continuïteit van deze organisaties. In gelijke mate is het duidelijk dat eenmanszaken of kleine organisaties, bij gebreke van afdoende eigen kapitaal, eerder in economisch zwaar weer terecht zullen komen. De tweede categorie is het ontbreken van de kundigheid voor het kunnen voeren van een financieel-administratieve organisatie. Bij het voeren van een financieel-administratieve organisatie is het besef van de noodzaak van absolute splitsing tussen bedrijfsgelden en cliëntengelden. Het tijdelijk gebruiken van cliëntengelden voor het overbruggen van economisch moeilijke tijden (“lenen” van de klanten) is te beschouwen als een kunstfout. De verleiding om gebruik te maken van de beschikbaarheid van deze gelden is levensgroot aanwezig en wordt ook niet altijd beseft. De derde categorie is fraude en betreft het onjuist administreren of ontduiken van voorschriften teneinde gelden te (kunnen) verduisteren. Het onttrekken van gelden aan de bankrekeningen van cliënten zal rechtstreeks leiden tot het niet kunnen nakomen van afspraken die, als dat niet zou hebben plaatsgevonden, wel zouden kunnen zijn nagekomen.
Oplossingen De overgang van de ene naar de andere oorzakelijke categorie zal in zijn algemeenheid geen scherpe overgang zijn. Eerder zal, via een schaal van geleidelijkheid, een organisatie, bij gebrekkig toezicht, in een scenario terecht kunnen komen waarin het van kwaad tot erger gaat. Aangezien het achteraf constateren van de financiële schade beperkte tot geen mogelijkheid meer geeft voor herstel ligt het zoeken van oplossingen voor deze problematiek grotendeels in de preventieve sfeer. Voor de hand liggende (rigoureuze) oplossingen zijn het volledig afschaffen van de mogelijkheid geld van derden te kunnen beheren door andere organisaties dan banken en/of overheden. Beperking daarvan is dat het voorbijgaat aan de, in het verleden geconstateerde, functionele noodzaak dergelijke verantwoordelijkheden juist nièt bij (te) grote conglomeraten te leggen wegens de risico's van het loskoppelen van de menselijke maat daarin. Het zou een typisch geval zijn van het weggooien van het kind met het badwater.
Een andere (eveneens) rigoureuze oplossing zou zijn het stellen van de formele eisen die ook aan een bank gesteld worden. Probleem daarvan is dat de financiële zekerheidsstelling die daarin vervat is, namelijk een (percentage) bankgarantie van het totaal onder beheer zijnde bedrag, niet is op te brengen voor organisaties van klein tot gemiddelde grootte en zelfs voor grote organisaties een onevenredig beslag legt op het (werk-)kapitaal. Op dit moment zijn voor de hand liggende uitvoerbare oplossingen een strikter toezicht van de overheid op de personen die derdengelden onder zich hebben. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door middel van een speciaal omschreven integriteitsonderzoek. Daarnaast zouden de rekeningen via welke deze betalingen lopen geblokkeerd moeten zijn voor zelfstandig tekenen. Ondertekenen van betalingen volgens het "vier-ogen"-principe. Dit betekent dat voor iedere betaling altijd de handtekening van twee personen nodig is. De nu gevoerde praktijk bij, in ieder geval één rechtbank (namelijk Dordrecht), voor het (extern) medetekenen vanaf bepaalde bedragen biedt daarin weliswaar ook garanties maar belast de uitvoering zowel qua mankracht als qua tijdsverloop tussen opdracht en uitvoering van de opdracht. Dit beperkt de algemene toepassing van deze “vier-ogen”-werkwijze. Organisaties zouden moeten werken volgens een (eventueel extern) getoetste duidelijk omschreven functiescheiding zodat foutief administratief handelen altijd 'in commissie' zou moeten plaatsvinden. Kleine organisaties zouden eveneens moeten werken volgens een wederzijdse (“reciproke”) tegenhand-tekening in samenwerking met een organisatie of overheid naar keuze. Verplichte medewerking aan een waarborgfonds door organisaties die gelden van derden onder zich hebben. De overheid zou dit kunnen faciliteren door voor elke ingelegde euro in het fonds een extra euro van overheidswege bij te dragen.
Conclusie Zou met bovenstaande maatregelen de problemen voorkomen kunnen zijn? Slechts ten dele; geen enkel systeem is bestand tegen fraude of tegen ontduiken van toezicht. Op dezelfde wijze als nu in de kredietcrisis de constatering gemaakt is dat banken garanties hebben geaccepteerd voorbij de waarde van het onderpand niettegenstaande het stringente toezicht waaronder ook zij vallen, op diezelfde wijze is het mogelijk iedere te bedenken maatregel te ontwijken/ontduiken. Alleen in geval een zekere mate van garantstelling via een fonds bestaat zijn de risico's voor de individuele particulier in te dammen. Dat hieraan beperkingen te stellen zijn moge blijken uit het feit dat zelfs De Nederlandsche Bank een particulier geen verdere garantie voor het saldo van zijn bankrekening geeft dan € 20.000,00 en 90% daarboven tot € 18.000 voor het restant spaarbedrag ongeacht de hoogte daarvan(bankgarantiestelsel).
|