Arie van Eijsden Cynthia Lamur
De relatie tussen de bewindvoerder/schuldhulpverlener en de ontvanger is soms een moeizame. Die “moeizaamheid” wordt veelal veroorzaakt door de vrij ingewikkelde regelgeving die geldt ingeval van verrekening met fiscale vorderingen en schulden, beslag en insolventie. Bijzonder complicerend is vaak de situatie die zich voordoet wanneer toeslagen in het spel zijn. In het hiernavolgende wordt op die problematiek in gegaan en wordt globaal aangegeven wat rechtens is in situaties van samenloop van de incasso/uitbetaling van toeslagen en van belastingen. Ook wordt de positie van derden die beslag wensen te leggen op toeslagen en belastingteruggaven uit de doeken gedaan. 1. Inleiding Sedert 1 januari 2006 is de Belastingdienst/Toeslagen verantwoordelijk voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen zoals de toeslagen ter zake van huur, zorg, kinderopvang en kindgebondenbudget(1). Meer in concreto betreft de bemoeienis van de Belastingdienst/Toeslagen het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de toeslagen (respectievelijk toeslagvordering en toeslagschuld). Bij het ministerie van Financiën komen regelmatig vragen binnen over de inning en/of uitbetaling van deze toeslag(schuld) en de eventuele mogelijkheden van verrekening en beslag en voorts de invloed van faillissement of de wettelijke of minnelijke schuldsaneringsregeling op de diverse mogelijkheden van invordering en verrekening. In deze bijdrage gaan wij in op deze materie en op de vragen die daarover in de praktijk leven. 2. Verrekening met een toeslagvordering Allereerst gaan wij in op het begrippenkader. De vraag is wat kan worden begrepen onder een toeslagschuld en een toeslagvordering. Een toeslagschuld is het bedrag dat de Belastingdienst terugvordert indien blijkt dat een belanghebbende te teveel aan toeslagen heeft ontvangen. Van een toeslagschuld kan in een drietal situaties sprake zijn: a) het eerder verleende voorschot is herzien en is nader vastgesteld op een lager bedrag b) een toeslag is vastgesteld op een lager bedrag dan het eerder verleende voorschot c) een reeds toegekende toeslag wordt herzien en vastgesteld op een lager bedrag Daartegenover staat de toeslagvordering die een tegemoetkoming of voorschot betreft waar de belanghebbende rechten aan kan ontlenen. De basis voor verrekening van toeslagen is gelegen in art. 30 Awir (2). Daaruit blijkt dat verrekening door de Belastingdienst/Toeslagen mogelijk is in een tweetal situaties: (1) verrekening van een toeslagschuld met een toeslagvordering (tegemoetkoming of voorschot) en (2) verrekening van een toeslagschuld met een belastingteruggave (IB, premie volksverzekeringen, heffingsrente). Een toeslagvordering kan evenwel niet worden verrekend met (rijks)belastingschuld. De Belastingdienst/Toeslagen is bevoegd om zowel toeslagen uit te betalen als terug te vorderen. Van belang is dus te onderkennen dat het de Belastingdienst/Toeslagen is die bevoegd is om toeslagschulden en toeslagvorderingen te verrekenen en hierover een beschikking te verlenen, (zie in dat kader Par. 4, Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (3) ). Daarbij is tevens van belang dat de verrekeningsbepaling van art. 24 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990), welke wet geldt voor verrekening van in te vorderen en terug te betalen rijksbelastingen, niet van toepassing is. De vraag dringt zich vervolgens op of en zo ja wanneer verrekening al dan niet mogelijk is. In een aantal situaties is verrekening niet of in beginsel niet mogelijk. In de eerste plaats vindt gedurende een verleend uitstel van betaling - enkele thans niet relevante uitzonderingen daargelaten - geen verrekening plaats. Voorts mag/kan niet verrekend worden in geval van toelating van de debiteur tot de wettelijke of minnelijke schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP/MSNP) of in geval van faillissement. (4) Deze verrekeningsmogelijkheden zijn verder uitgewerkt c.q. toegelicht in beleids- en instructieregels. Zie in dit kader ook art. 79.3 van de Leidraad Invordering 2008 en par. 4.30 van de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders. Overigens is het vast beleid dat zodra Belastingdienst/Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken of de WSNP/MSNP van toepassing is verklaard, eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd. Ten behoeve van de overzichtelijkheid volgt hieronder een opsomming van enkele praktijksituaties: - Een toeslagvordering heeft (materieel) betrekking op de periode na WSNP/MSNP/faillissement De Belastingdienst/Toeslagen mag in beginsel niet verrekenen. (5) De Belastingdienst hanteert als beleid dat voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagschuld verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot achterwege blijft. Tijdens WSNP/MSNP/faillissement vindt eveneens geen verrekening plaats van de aangemelde toeslagschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Een vóór het faillissement ontstane toeslag of IB-teruggave - een nabetaling - kan weer wel worden verrekend. In dit verband is steeds van belang dat wanneer ná toelating tot de WSNP en ná de faillissementsuitspraak van de debiteur een toeslagschuld of belastingschuld ontstaat, vastgesteld dient te worden of de schuld meegenomen moet worden in de WSNP, de MSNP of het faillissement. Op grond van art. 299 Fw bijvoorbeeld, werkt de WSNP namelijk ten aanzien vorderingen die ten tijde van de uitspraak bestaan. Een ander voorbeeld is de belastingvordering. Deze ontstaat uit de wet, dat is het materiele ontstaansmoment ervan. Voorts is van belang dat onderscheid wordt gemaakt naar de diverse tijdvakken dat schulden kunnen ontstaan: per jaar, per maand of per dag. Voor zover het betreft tijdvakken of termijnen die ontstaan of vervallen na de WSNP of het faillissement kan in elk geval niet meer worden verrekend. -Schuld ter verificatie indienen in WSNP of faillissement Voor zover de pre-WSNP- of pre-faillissementtoeslagschuld niet na toepassingverklaring van een WSNP of een faillietverklaring kan worden verrekend dient deze te worden ingediend ter verificatie (zie in dat verband art. 19 lid 8 jo 301 Fw; art. 79.3 en art. 73.2.2 van de Leidraad Invordering 2008). Meer in het bijzonder hanteert de Belastingdienst het beleid dat indien de debiteur wordt toegelaten tot de WSNP of failliet wordt verklaard, de Belastingdienst/Toeslagen de invorderingsmaatregelen dient te stoppen en de toeslagschuld ter verificatie dient aan te melden bij de bewindvoerder of curator. Wanneer de toeslagschuld betrekking heeft op een periode ná toelating WSNP dient conform het vigerende beleid de ontvanger te overleggen met de bewindvoerder of de schuld uit de boedel kan worden voldaan. Wanneer dit niet kan, is een individuele betalingsregeling mogelijk. Ook in geval van faillissement heeft te gelden dat de openstaande terugvorderingsbeschikking toeslagen of toeslagschuld over de periode vóór het faillissement ter verificatie dient te worden ingediend bij de curator. Verrekening daarvan vindt dan ook niet plaats. 3. Betalingsregeling (6) Wanneer sprake is van een toeslagschuld dan kan de Belastingdienst op grond van de Uitvoeringsregeling Awir alsmede op grond van het beleid de belanghebbende voor een terug te betalen toeslag (toeslagvordering) een betalingsregeling aanbieden. Deze betalingsregeling werkt als volgt. Nadat de betalingstermijn van de toeslagschuld van zes weken (zie art. 28 Awir) is verstreken kan de Belastingdienst/Toeslagen een toeslagschuld verrekenen met een uit te betalen toeslag of belastingteruggaaf. Dit ongeacht de soort toeslag en ongeacht het jaar waarop de toeslag betrekking heeft. Terug te betalen kinderopvangtoeslag 2008 kan derhalve door de ontvanger worden verrekend met een nabetaling zorgtoeslag over 2009. Voor de toeslagschuld kan echter uitstel van betaling worden verleend. Diverse situaties worden hierna onderscheiden. Daarbij zal tevens worden aangegeven - voor zover relevant - of en in hoeverre verrekening mogelijk is. a. De standaardbetalingsregeling Indien sprake is van een toeslagschuld wordt automatisch een betalingsregeling aangeboden en verleend (zie art. 7 van de Uitvoeringsregeling Awir (7) (hierna: Uitv. Reg. Awir) en hetgeen op basis daarvan nader uitgewerkt is in art. 79.7 Leidraad Invordering 2008 alsmede par. 4.23.1 Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (8) ). Deze standaardregeling gaat uit van een maandbedrag van € 20 per toeslag. Duur van deze betalingsregeling is maximaal 24 maanden. Is de regeling niet toereikend dan kan een betalingsregeling op maat worden verkregen. Zie het hieronder bij c. weergegevene. b. De standaardbetalingsregeling met verrekening Tijdens de standaardregeling vindt verrekening plaats met de maandelijkse voorschotten aan toeslagen en met éénmalige teruggaven (dus niet zijnde de maandelijkse voorschotten aan toeslagen). c. De betalingsregeling op maat Naast de standaardregeling, kan om een individuele (op maat toegesneden) betalingsregeling worden gevraagd door de toeslagdebiteur. Deze vindt plaats op basis van de aanwezige betalingscapaciteit (zie art. 79.8 Leidraad Invordering 2008 en par. 4.23.2 Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders). Is de betalingscapaciteit voldoende om de toeslagschuld binnen 24 maanden te voldoen maar is betalingscapaciteit lager dan € 20 dan wordt een betalingsregeling getroffen voor dit lagere bedrag. Ongeacht de betalingscapaciteit vindt verrekening (ex art. 30 Awir) plaats met teruggaven niet zijnde de betaling van maandelijkse voorschotten. Is de betalingscapaciteit lager dan € 20 per maand, maar voldoende om de toeslagschuld binnen 24 maanden terug te betalen dan wordt een betalingsregeling getroffen voor 24 maanden. Na 12 maanden wordt de betalingscapaciteit opnieuw vastgesteld. Nadat gedurende 24 maanden is betaald conform de betalingscapaciteit, wordt het restant van de vordering buiten invordering gesteld. Hetzelfde gebeurt terstond nadat vast komt te staan dat sprake is van afwezigheid van enige betalingscapaciteit. Hieraan wordt de voorwaarde verbonden dat gedurende drie jaar toeslagen en belastingteruggaven voor zover deze niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald, zullen worden verrekend met de buiten invordering gelaten schuld (9). 4.Beslag op een toeslagvordering Art. 45 Awir staat in beginsel niet toe dat beslag wordt gelegd op een toeslagvordering (10). Beslag behoort wel tot de mogelijkheden indien sprake is van eenzelfde rechtsverhouding (vergelijk art. 6:130 BW). Beslag is alsdan mogelijk in de hiernavolgende gevallen: (i) de verhuurder kan ingeval van huurachterstand beslag leggen op de huurtoeslag; (ii) de zorgverzekeraar kan wegens een achterstallige premieschuld voor de basisverzekering beslag leggen op de zorgtoeslag. (iii) de kinderopvanginstelling kan voor een achterstallige schuld wegens kinderopvang beslag leggen op kinderopvangtoeslag. Opmerking verdient dat bij toeslagen altijd sprake is van een zogenoemde doorlopende rechtsverhouding en dat zorgtoeslag en huurtoeslag beide verschillende rechtsverhoudingen zijn. Het gaat steeds om: “een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming”. Derhalve dient de te betalen huur oorzaak te zijn van de te verrekenen huurtoeslag etc. Zie ter illustratie ook voorbeeld 1 hierna. Voorts heeft te gelden dat voor zover beslag is gelegd op een toeslag het gehele bedrag onder het beslag valt. Er geldt overigens geen beslagvrije voet nu de toeslag uitdrukkelijk geen periodieke uitkering is zoals bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (11). De Belastingdienst/Toeslagen kan bovendien beslag leggen op toeslagen voor toeslagschulden die betrekking hebben op dezelfde inkomensafhankelijke regeling Dit geldt overigens niet voor de Belastingdienst. Beslag op de toeslagvordering en verrekening In het geval dat wel beslag is gelegd kunnen zich problemen voordoen bij de verrekening. Daarbij geldt het volgende. Verrekening met de toeslagvordering is mogelijk onder de hiernavolgende voorwaarden (zie ook par. 4.21 Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders): -er dient sprake te zijn van verrekening binnen dezelfde rechtsverhouding waarbij de prestatie gerelateerd is aan de schuld (zie art. 30, 45 Awir jo 6:130 BW); -er mag alleen worden verrekend als de te betalen vordering is ontstaan en opeisbaar geworden vóór datum beslag. Ter illustratie van de samenloop van beslag en verrekening volgt hieronder een aantal voorbeelden. Voorbeeld 1: Een huurder krijgt huurtoeslag over 2009 en betrekt daarna in 2010 een nieuwe woning bij een andere woningcorporatie. De oude verhuurder legt beslag op de huurtoeslag 2010. Beslag is niet mogelijk want prestatie en schuld betreffen niet dezelfde rechtsverhouding (zie art. 45, eerste lid, Awir). Aangenomen wordt dat naast de Awir ook het BW (art. (6:130) van toepassing is. Voorbeeld 2: Er is sprake van een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting uit 2010 en een zorgtoeslagschuld uit 2008. Door een derde wordt beslag gelegd op de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over 2010. De Belastingdienst is niet bevoegd om tot verrekening over te gaan (prestatie en schuld betreffen namelijk niet dezelfde rechtsverhouding), tenzij de zorgtoeslagschuld opeisbaar is tijdens het beslag. Verrekening gaat in dit geval vóór beslag. Voorbeeld 3: Wanneer er beslag ligt op een zorgtoeslagvordering, dan kan deze zorgtoeslagvordering niet verrekend worden met een inkomstenbelastingschuld. Beslag op inkomen (periodieke uitkeringen in de zin van BRv) Inkomen zoals loon, voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting e.d. vormen periodieke uitkeringen zoals bedoeld in art. 475c BRv. Hiervoor geldt de beslagvrije voet. (12) Beslagleggers dienen derhalve rekening te houden met deze beslagvrije voet. Beslag op inkomen en verrekening Vloeit de vordering uit dezelfde rechtsverhouding voort als waarop de uitbetaling van het loon betrekking heeft dan gaat verrekening vóór beslag (vergelijk art. 6:130 BW). Voorbeeld 1: De Belastingdienst heeft beslag gelegd op het loon. Daarna blijkt dat er teveel loon is uitbetaald door de werkgever. Het teveel uitbetaalde loon mag door de werkgever worden verrekend met nog uit te betalen loon. In deze situatie gaat verrekening derhalve vóór beslag. Voorbeeld 2: Een werknemer heeft een lening ontvangen van de werkgever. Er wordt maandelijks een vast bedrag op het loon ingehouden ter zake van de lening. Er wordt daarna beslag gelegd op het loon door de Belastingdienst. De vordering van de werkgever is ontstaan vóór beslagdatum maar is niet geheel vóór beslagdatum opeisbaar. Hier gaat beslag vóór verrekening. Samenloop van een beslag op een toeslag, beslag op periodieke uitkering zoals loon, voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en verrekening Indien met betrekking tot een en dezelfde debiteur de Belastingdienst toeslagen verrekent en er tevens beslag ligt op het loon, dan dient de beslagvrije voet voor zover betrekking hebbend op het loon te worden verhoogd (zie art. 475d onder b Rv en 475d onder a Rv). Het is aan de beslaglegger deze verhoging toe te passen. Als er beslag ligt op het loon of de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en tevens op de toeslagvordering, dan kan worden verrekend met toeslagschuld met inachtneming van de beslagvrije voet. (13) Bij beslag op een éénmalige teruggaaf inkomstenbelasting is verrekening niet mogelijk met een toeslagschuld. Wel dient bij voormeld beslag rekening gehouden te worden met de beslagvrije voet. Het is aan de beslaglegger hier actie te ondernemen en de beslagvrije voet vast te stellen. 5. Slot De uitvoering van toeslagen door de Belastingdienst/Toeslagen verloopt in het algemeen redelijk vloeiend. Zodra echter de belanghebbende in een schuldsaneringsregeling belandt dan wel in een faillissementssituatie terechtkomt, ontstaat regelmatig verwarring indien het gaat om de vraag of al dan niet de mogelijkheid bestaat om uitstel van betaling te verlenen dan wel tot verrekening over te gaan. Ook samenloop van (toeslagschuld,) uitstel en verrekening leidt vaak tot complicaties. Geadviseerd wordt dan ook de diverse wets-, beleids- en instructieregels erbij te nemen zodat duidelijkheid kan worden verkregen over de (on)mogelijkheden ter zake van toeslagen. Dit artikel verscheen eerder in WSNP Periodiek augustus 2010 Auteurs : A. van Eijsden en C. Lamur
Voetnoten:
- 1. Het kindgebondenbudget dateert van ná 1 januari 2006
- 2. Art. 30 Awir luidt:
- 1. De Belastingdienst/Toeslagen is bevoegd tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een aan hem uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop, een en ander ongeacht de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en ongeacht het berekeningsjaar.
- 2.De Belastingdienst/Toeslagen is tevens bevoegd, in afwijking van artikel 3 van de Invorderingswet 1990, tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met aan hem uit te betalen bedragen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, en heffingsrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting.
- 3. Een verrekening vindt niet eerder plaats dan nadat de termijn bedoeld in artikel 28 is verstreken. De in de artikelen 27 en 29 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten kunnen in de verrekening worden betrokken.
- 3. Zie de website van de Belastingdienst: www.belastingdienst.nl
- 4. Uitbetalingen met een éénmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zowel die bedragen als de in te vorderen bedragen materieel betrekking hebben op de periode die gelegen is vóór de datum waarop het faillissement is uitgesproken dan wel de WSNP van toepassing is verklaard (de zogenaamde: pre-faillissementsschuld).
- 5. Kamervragen van Spekman en Depla (beiden PvdA) aan de minister van Financiën van 28 juli 2008, nr. 19, blz. 43-44: “…toeslagschulden die dateren van voor de uitspraak WSNP (mogen) niet verrekend (…)worden met nog lopende voorschotten van toeslagen 2008…”
- Art.73.2.2 Leidraad Invordering 2008:
Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen en terugvorderingen (ter zake van toeslagen) die betrekking hebben op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregelng van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering. (…) - Art. 79.3 Leidraad Invordering 2008:
“Zodra Belastingdienst/Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd. De ontvanger meldt de openstaande toeslagschuld over de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie aan bij de curator of de bewindvoerder. Voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagschuld blijft verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een voorschot achterwege. Gedurende het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt eveneens geen verrekening plaats van de aangemelde toeslagschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Uitbetalingen met een eenmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór de datum van faillissement dan wel de toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Over de betaling van toeslagschuld ontstaan over de periode na de datum van het faillissement dan wel de datum van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of de minnelijke schuldsaneringsregeling, treedt de ontvanger in overleg met de curator of de bewindvoerder. Als de toeslagschuld niet uit de boedel kan worden voldaan is betaling van de schuld met behulp van een betalingsregeling op de voet van de artikel 79.7 en 79.8 mogelijk. In het geval van een betalingsregeling op de voet van artikel 79.8 houdt de ontvanger bij de vaststelling van het inkomen van de schuldenaar geen rekening met een eventuele afdracht van een deel van dat inkomen aan de bewindvoerder.”
- 6. Deze paragraaf beschrijft het beleid buiten WSNP en Faillissement
- 7. De betalingsregeling van art.7 Uitv.reg. Awir biedt een regeling voor € 40 per maand. Achtergrond van deze regeling is dat sprake is van een ‘debiteurgerichte’ regeling. De Belastingdienst hanteert echter in de leidraad een ‘aanslaggericht’ systeem waarbij een regeling van € 20 per maand hoort.
- 8. Zie voetnoot 2
- 9. Art. 79.8 L.I. 2008 luidt:
Belastingdienst/Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan Belastingdienst/Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te voldoen. De artikelen 11, 12 en 13 van de regeling zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir; bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht. Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen. Zo’n betalingsregeling wordt ook afgewezen als de belanghebbende of de in artikel 7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling beschikt voor de voldoening van de terugvordering, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht. Als echter blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagenschuld in maximaal 24 maanden te voldoen – zij het met een lager bedrag dan € 20 – dan zal Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit. Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagenschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal Belastingdienst/Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden. Na twaalf maanden zal Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden. - 10. Art.45 Awir luidt:
1. Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens: a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming; b. een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering dat betrekking heeft op dezelfde inkomensafhankelijke regeling.De uitzondering opgenomen in onderdeel a van dit lid is niet van toepassing met betrekking tot een tegemoetkoming in het kader van de Wet op het kindgebonden budget. 2. Elk beding dat strijdt met het eerste lid is nietig. - 11. Zie noot 10.
- 12. Zie art. 475c en 475d BRv. Andere periodieke uitkeringen ex Rv zijn:
loon; sociale zekerheidsuitkering; pensioen- en lijfrente uitkering; levens, invaliditeits-, ongevallen- en ziekengeldverzekeringsuitkering; alimentatie; ambtenarenloon, voorlopige teruggave IB. - 13. Bij samenloop van beslag op loon/Voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting en beslag op toeslag neemt het Ministerie van Financiën het standpunt in dat: 1. verrekening gaat vóór beslag waarbij geen rekening wordt gehouden met en beslagvrije voet; 2. de beslaglegger een stap terug moet doen. Beslaglegger moet actie ondernemen.
|