Wijziging leidraad Invordering 2008; het net sluit zich... Afdrukken E-mail
woensdag 08 september 2010

“Het net sluit zich....”

Sinds de introductie van de WSNP heeft de Belastingdienst altijd, zij het misschien niet altijd door schuldenaren zo gevoeld, een zekere mate van coulance betoond in de omgang met het invorderen van belastingvorderingen bij personen met problematische schulden. De ratio hierachter was ingegeven door het gegeven dat indien personen de toegang hebben tot de WSNP, waar de belastingdienst meestentijds ook slechts een deel van haar vordering voldaan krijgt en kreeg, het geen doel dient personen onnodig te belasten met het regime van een WSNP. De oorspronkelijke opzet van de WSNP beoogde ook dit resultaat te bereiken bij de overwegingen van de crediteur in geval van problematische schuldsituaties. De formalisering van deze minnelijke werkwijze (of Minnelijke Sanering Natuurlijke Personen) vindt zijn beslag in de “Leidraad Invordering 2008” van de belastingdienst (als opvolger van de “Leidraad Invordering 1990”). In deze leidraad formuleert de Belastingdienst de voorwaarden waaronder medewerking aan een minnelijke regeling, ook wel aangeduid als MSNP, kan (en zál) plaatsvinden. De minnelijke regeling is sinds 1 januari 2002 ingevoerd. Op 30 juni 2010 heeft er een aanpassing van deze richtlijn plaatsgevonden in, onder andere, het deel dat gaat over de MSNP en dat in de uitvoering voor de schuldhulpverleners belangrijke gevolgen kan hebben.

Introductie
De belastingdienst werkt, onder voorbehoud van een aantal randvoorwaarden, altijd mee aan een minnelijke schuldhulpverleningstraject. De voorwaarden waaronder zij dat doet zijn opgenomen in de “Leidraad invordering 2008”. Het onderdeel van de Leidraad waaronder de minnelijke richtlijnen vallen is artikel 73 – “De insolventieprocedures” – en dienen, in de praktijk, ook als zodanig strikt gelezen te worden. Formeel verkrijgt een schuldenaar
De ontvanger verleent uitstel van betaling  als:

  • een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;
  • de schuldhulpverlener lid of geassocieerd lid is van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer;
  • de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers; (voor de ex-ondernemer moet aannemelijk zijn dat deze in de toekomst geen bedrijf of zelfstandig beroep zal uitoefenen, red.)
  • redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige – afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden, met uitzondering van het bepaalde in artikel 288, tweede lid, onderdeel b, Fw – in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;
  • aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.
Artikel 73.5.1 “Leidraad invordering 2008”

Ingangsmoment van het uitstel tot betaling is de schríftelijke ontvangst vanuit de schuldhulpverlener van de schuldregelingsovereenkomst (artikel 73.5.1) of van ontvangst van de stabilisatie-overeenkomst cq de schriftelijke melding van de schuldhulpverlener dat deze activiteiten ontplooit gericht op stabilisatie (artikel 73.5.2). In beider geval neemt de belastingdienst 120 dagen in acht met het nemen van verdere incasso-maatregelen. Tijdens zowel de stabilisatie-periode als de schuldregelingsperiode kan een uitstel van maximaal 120 dagen verkregen worden.
De beslagen vervallen tot het moment van beëindiging van de schuldregelingsovereenkomst.

De beëindigingsgronden
Tijdens het minnelijke traject waren er wat betreft de belastingdienst een aantal “uitstapmomenten”, namelijk dat de ontvanger het uitstel intrekt als:

  • De overeenkomst tot schuldregeling wordt beëindigd;
  • De schuldenaar nieuwe schulden bij de belastingdienst laat ontstaan
  • De schuldenaar zijn lopende belastingverplichtingen (zoals bijvoorbeeld aangifte) niet nakomt
  • De schuldenaar probeert zijn schuldeisers te benadelen.

In de invorderingsgids 2010 (Van Eijsden et al.) staat dat bij de laatste drie redenen voor het intrekken van het uitstel de belastingdienst nog wel schriftelijk aan de schuldhulpverlener de mededeling doet dat het voornemen voor intrekking van het uitstel bestaat tenzij de belastingschuldige binnen veertien dagen zijn verplichtingen alsnog nakomt.

Met de meest recente wijziging van de richtlijn Invordering 2008 op 30 juni 2010 is aan deze vier beeindigingsgronden een extra uitstpap-reden toegevoegd, namelijk:

  • De ontvanger trekt het uitstel in indien hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet. (paragraaf 73.5.5)

Het kan beargumenteert worden dat deze beëindigingsgrond feitelijk reeds bestond vanwege het gegeven dat de belastingdienst altijd al 120 dagen uitstel verleende (paragraaf 73.5. 1&2) en, bij uitblijven van een reactie, de invordering hervatte. Deze toevoeging is daarmee "niet meer" dan de formalisering van het verstrijken van deze 120 dagen. Toch zit er, voor de schuldhulpverlener, wel een addertje onder het gras: De belastingdienst namelijk definieert in paragraaf 73.5.1 de voortzetting als

Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling, wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd.”


Twee kenmerken vallen op aan deze omschrijving:

  1. De belastingdienst incorporeert in haar richtlijnen geen stabilisatie-traject! Weliswaar gebruikt zij wel de terminologie van het stabilisatie-traject maar zij geeft daaraan in de uitvoering geen extra tijd, zij stelt immers het tréffen van een schuldregeling met de schuldeisers als voorwaarde voor voortzetting van het traject. Het stabilisatie-traject kenmerkt zich nu juist door het ontbreken van de mogelijkheid dan reeds een schuldregeling te (kunnen) treffen; er zal veelal een betalingsregeling getroffen worden. Het zal daarom nodig zijn voor de schuldhulpverleners de invorderingsambtenaar te overtuigen van de aanvullende benodigde 120 dagen (Zoals bijvoorbeeld de NEN die formuleert) maar verkrijging van dat uitstel is allerminst zeker, de richtlijnen stellen immers andere voorwaarden voor die verlenging namelijk het kunnen treffen van een schuldregeling.
  2. De belastingdienst formaliseert in haar richtlijn de gedragscode schuldregeling van de NVVK met het feit dat als er geen schuldregeling tot stand komt de schuldregelingsovereenkomst eindigt. Dit is conform art. 6.4 van de gedragscode schuldhulpverlening NVVK. Dit is daarmee voortaan een vaststelling kennelijk buiten macht en bemoeienis van de schuldhulpverlener en de klant! De gerede inschatting valt te maken dat als gevolg van deze (opgelegde) formalisering de uitval in het minnelijk traject (nog en/of weer) groter zal worden.

Discussie
Voor een schuldhulpverlener, maar vooral ook voor een schuldenaar(!), is het belangrijk te realiseren dat de belastingdienst naleving van de voorwaarden voor haar medewerking aan een schuldregeling gedurende het gehéle minnelijk traject monitort. Achterwege blijven van nakoming zal verstrekkende consequenties hebben! De wijziging van de richtlijn zal deze voortdurende toetsing en de zwaarte die daaraan gegeven wordt alleen maar versterken. Het is onduidelijk of de melding van de belastingdienst, als de 120 dagen zijn verstreken en er geen schriftelijke melding is omtrent een tot stand gekomen schuldregeling, dan ook, op dezelfde wijze als bij tussentijdse intrekking van het uitstel, de schuldhulpverlener zal informeren. De redelijke verwachting is dat zij dat wel zal doen; of zij eveneens de schuldenaar informeert is niet direct duidelijk. Het lijkt wel voor de hand te liggen. In geval van achterstanden in de uitvoering van het 120-dagen model zal dit gegeven tot een aanzienlijke hoeveelheid (door de schuldhulpverlener niet bedoelde) tussentijdse intrekkingsmeldingen leiden van de belastingdienst. Als een schuldhulpverlener dit cruciale onderdeel van haar schuldhulpverlening niet op orde heeft kan dat een flinke druk op de “uitvoerings-”ketel geven. En dat terwijl bijvoorbeeld de gemeenten op dit moment al moeite hebben op de wachtlijst voor toélating onder controle te krijgen. Het roept het beeld op van een opgejaagd hert de jacht (nèt?) ontkomen.
Interne overwegingen van schuldhulpverleners om het stabilisatie-traject te verlengen voor specifieke cliënten zullen niet meer zelfstandig genomen kunnen worden maar zullen, in geval van aanwezigheid van belastingschulden, in schriftelijk overleg met de belastingdienst moeten plaatsvinden waarbij de (veelal humane) motieven van de schuldhulpverlener voor verlenging, de belastingdienst niet altijd zullen overtuigen gegeven haar wettelijke taak.

Conclusie
De huidige richtlijn Invordering 2008 zal schuldhulpverleners dwingen strakker de termijnen na te leven en eerder dwingen de beslissing te nemen van voortzetting of beëindiging van het schuldhulptraject. Weliswaar bestaan deze termijnen al langere tijd, maar nu, met de belastingdienst als extra waakhond op deze termijnen, zal het praktisch effect (lees: problemen in de uitvoering) eerder en duidelijker naar voren komen. De druk op de uitvoeringskwaliteit van de schuldhulpverlening zal nog groter worden; het net sluit zich...


I.P. Van Rossen
Over de auteur:

Directeur van Modus Vivendi Wettelijk Traject B.V.

Sinds 1995 actief binnen schuldhulpverlening in minnelijk en wettelijk traject.

 
Advertisement
Template creation and website implementation by One-Company Interactieve Communicatie, Industrieweg 18, 4051 BW Ochten, Nederland. Telefoon: 0344-641040